Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Fazantspoorkoekoek

Fazantspoorkoekoek | Centropus phasianinus

Pheasant Coucal | Cucal faisán

De fazantspoorkoekoek is de enige koekoek van het gebied die zijn eigen nest bouwt en zijn eigen jongen grootbrengt: een zware, kortvleugelige vogel die door dicht gras klautert met een lange, losse staart achter zich aan. Twee keer per jaar wisselt hij van uiterlijk, van zwart in de broedtijd naar gestreept roestbruin daarbuiten, en het is het mannetje dat het broeden doet.

Fazantspoorkoekoek (Centropus phasianinus)
Foto: Andrew Mercer — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een diepe, holle reeks die eerst daalt en dan weer aanzwelt: oep-oep-oep-oep, meestal in de vroege ochtend en na regen, en altijd vanuit dichte begroeiing. Paren roepen tegen elkaar in, zodat het geluid uit twee richtingen tegelijk lijkt te komen. Daarnaast klinkt een metaalachtig tikken, en bij verstoring een scherp sissen.

Luister: ZangXC408405

Opname: Rolf A. de By — CC BY-NC-SA 4.0 · Kiunga Km17 on road to Tabubil, Papua New Guinea · xeno-canto

Herkenning

Een grote grondkoekoek van zestig tot vijfenzeventig centimeter, waarvan ruim de helft staart. In de broedtijd zijn kop, hals en onderdelen zwart, en steken de roestbruine, zwart gebandeerde vleugels en de lange gebandeerde staart daar scherp tegen af. Buiten de broedtijd is de hele vogel roestbruin met room- en zwartkleurige lengtestrepen, met een gestreepte kop en een lichte oogstreep. Het oog is rood, het vrouwtje is duidelijk groter dan het mannetje, en jonge vogels lijken op de niet-broedende oudervogel maar zijn valer getekend.

Verwarrings­soorten

Binnen het gebied is er geen tweede spoorkoekoek, zodat de verwarring bij de vogel zelf begint: het zwarte broedkleed en het gestreepte kleed daarbuiten worden geregeld voor twee soorten aangezien. In de zware, lage vlucht met gebandeerde vleugels en slepende staart kan hij op een wigstaartwouw (Haliastur sphenurus) lijken, maar hij vliegt zelden ver en laat zich daarna in de begroeiing vallen. Rent hij over een pad, dan doen de gebogen houding en de lange staart eerder aan een fazant denken dan aan een koekoek.

Leefgebied

Dicht, hoog gras, riet, adelaarsvaren en zegge onder open eucalyptusbos en langs moerasranden, in het noorden ook de zoom van de mangrove. Verruigd land is bij uitstek zijn terrein: lantana, braam en suikerriet, en de brede bermen van wegen en spoorlijnen. Kort gehouden, open grond mijdt hij; hij wil dekking binnen één sprong hebben.

Verspreiding en trek

Van de Pilbara door de Kimberley en het Top End tot Kaap York, en langs de oostkust zuidwaarts tot de zuidkust van Nieuw-Zuid-Wales; daarbuiten op Nieuw-Guinea en Timor. Hij trekt niet en houdt het hele jaar hetzelfde terrein bezet. In het zuidoosten is hij met de aanleg van suikerriet en de verruiging van rivierdalen opgeschoven, terwijl hij in het droge binnenland aan permanent water gebonden blijft.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in de vroege ochtend op een pad, een hekpaal of een omgevallen stam, waar hij de eerste zon opzoekt zolang het gras nog nat is; op dat uur zit hij open en verraadt de roep hem bovendien. Rijd langzaam langs suikerriet of een verruigde greppel en let op de lange staart die boven het gras uit steekt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) op de Rode Lijst. Hij is over zijn hele areaal algemeen en heeft baat bij verruigd cultuurland en bij suikerriet. Wat er misgaat is plaatselijk: het branden van kustheide in de broedtijd en het opruimen van lantana kosten nesten, en langs wegen vallen slachtoffers doordat de vogel laag en traag oversteekt.

Wetenschappelijke naam

Centropus phasianinus | (Latham, 1801)

Latham beschreef de soort in 1801 als Cuculus phasianinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Centropus werd in 1811 ingevoerd door Illiger, naar het Griekse kentron, 'spoor', en pous, 'voet': de rechte, lange nagel aan de achterteen. phasianinus betekent 'fazantachtig', naar de lange staart en de manier van lopen. Het beschreven exemplaar kwam uit Nieuw-Holland; Gould beperkte de typelocatie tot Nieuw-Zuid-Wales.