Alle soorten › Papegaaiachtigen › Kaketoes › Dunsnavelraafkaketoe

Dunsnavelraafkaketoe | Zanda latirostris

Carnaby's Black Cockatoo | Cacatúa fúnebre piquicorta

De dunsnavelraafkaketoe is een van de twee witstaartraafkaketoes van Zuidwest-Australië en verder nergens ter wereld te zien. Grijszwart met een fijne lichte schubbentekening, een roomwitte oorvlek en twee witte vlakken in de staart — en met een korte, brede, sterk gewelfde snavel waarmee hij de houtharde vruchten van banksia's en hakea's uit elkaar breekt.

Dunsnavelraafkaketoe (Zanda latirostris)
Foto: Jean and Fred from Perth, Australia — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het kenmerk waarop de meeste waarnemers hem vastleggen: een luid, klagend en ver dragend wy-lah, in de vlucht herhaald met ongeveer vier tienden van een seconde tussen de roepen, met een duidelijk hoorbare scheiding tussen de twee lettergrepen. Daarnaast zachte chuck-geluidjes tussen foeragerende vogels, een fluitend reeksje van het vrouwtje bij het nest en een harde schrille schreeuw bij verstoring. Een overvliegende troep boven de buitenwijken van Perth kondigt zichzelf minutenlang aan.

Luister: OpnameXC1158378

Opname: Morgan Pickering — CC BY-NC-SA 4.0 · Boyagin Rock West, West Pingelly, Shire of Pingelly, Western Australia, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een grote, donkere kaketoe van ruim een halve meter met een vleugelspanwijdte van ongeveer 110 cm, grijszwart met smalle lichtgrijze veerzomen die het kleed een fijn geschubde aanblik geven. Op de oorstreek staat een roomwitte vlek, in de staart twee brede witte vlakken die alleen in de vlucht of bij het draaien te zien zijn. De kuif is kort. De man heeft een donkergrijze tot zwarte snavel en een roze oogring, het vrouwtje een beenwitte snavel met zwarte punt, een grijze oogring en een wittere, opvallendere oorvlek. De snavel is kort, breed en sterk gewelfd — in profiel rond, niet spits.

Verwarrings­soorten

De langsnavelraafkaketoe (Zanda baudinii) is het echte probleem: even groot, even grijszwart, met dezelfde witte oorvlek en dezelfde witte staartvlakken, en op foto's vaak niet te scheiden. Kijk naar de snavel in zijprofiel — bij deze soort breed, bol en kort, bij baudinii lang, smal en driehoekig, met een bovensnavel die ver onder de ondersnavel uitsteekt. De roep helpt ook: die van baudinii is korter (ongeveer 0,47 tegen 0,64 seconde), schriller en klinkt afgeknipt, en hij heeft een klokkend geluid dat deze soort mist. Verder verraadt het gedrag hem: alleen de dunsnavelraafkaketoe eet geregeld dennenzaad in aanplantingen, en hij breekt marrivruchten grof open terwijl baudinii er een net gaatje in maakt. De geeloograafkaketoe (Zanda funerea) heeft gele in plaats van witte staartvlakken en komt in het westen niet voor. De boskaketoe, de zuidwestelijke ondersoort van de roodstaartraafkaketoe (Calyptorhynchus banksii), deelt hetzelfde bos maar heeft rode staartvlakken, geen lichte oorvlek en een harde metalen roep.

Leefgebied

Broedt in oud, open eucalyptusbos van wandoo (witstammige eucalyptus van zuidwestelijk Australië, en het bos ervan) en salmon gum (eucalyptus met gladde, zalmkleurige stam, zuidwestelijk Australië), met grote holtes in bomen van eeuwen oud; foerageert in kwongan-heide (soortenrijk heideachtig struweel van zuidwestelijk Australië) met banksia's, hakea's en grevillea's, waarvan de zaden het grootste deel van het menu leveren. Buiten de broedtijd trekt hij naar de kust, waar hij dennenaanplantingen, banksiabos en de parken, straten en tuinen van de buitenwijken van Perth gebruikt; slaapplaatsen in hoge bomen worden jaar na jaar gebruikt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endeem van het zuidwesten van West-Australië, vooral in de Wheatbelt (de graanteeltstreek van West-Australië), in de zone met 300 tot 750 mm neerslag, van Kalbarri in het noorden tot Cape Arid in het oosten en zuiden. De vogels broeden van augustus tot december landinwaarts en verplaatsen zich daarna, ruwweg van december tot juli, naar de Swan-kustvlakte rond Perth en Bunbury. In de drogere delen is die beweging een echte seizoentrek, in het natte zuidwesten blijven de vogels het hele jaar. Buiten dit hoekje van Australië komt hij nergens voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in de winter tegen zonsondergang naar een bekende slaapplaats op de Swan-kustvlakte — een rij hoge dennen of gombomen in een buitenwijk — en tel de troepen die binnenkomen; dat is precies wat de jaarlijkse Great Cocky Count doet. Kijk bij elke vogel in de hand of op de foto naar het snavelprofiel, niet naar het kleed, en probeer een roep op te nemen: het verschil met de langsnavelraafkaketoe zit in de lengte en de scherpte van de lettergrepen.

Staat van instandhouding

Bedreigd (EN), met een schatting van ongeveer veertigduizend vogels. De oorzaak is in de kern eenvoudig: in het broedgebied is sinds de Europese vestiging ruim de helft van de oorspronkelijke vegetatie geruimd, zodat zowel voedselstruweel als nestbomen ontbreken, en een geschikte holte in een wandoo of salmon gum ontstaat pas na een paar eeuwen. Op de kustvlakte bij Perth telde de Great Cocky Count in 2016 nog 10.919 vogels, ongeveer de helft van het aantal van 2010; daar spelen daarnaast het rooien van de dennenaanplantingen bij Gnangara, verstedelijking, hittegolven en aanrijdingen mee. De broedsnelheid is laag — één tot twee eieren, waarvan meestal één jong groot wordt — zodat verliezen traag worden ingehaald.

Wetenschappelijke naam

Zanda latirostris | (Carnaby, 1948)

Ivan Carnaby beschreef de vogel in 1948 in The Western Australian Naturalist als Calyptorhynchus baudinii latirostris, dus aanvankelijk als ondersoort van de langsnavelraafkaketoe; auteur en jaartal staan tussen haakjes omdat de soort nu in Zanda staat. Dat geslacht voerde Mathews in 1913 in voor de wit- en geelstaartsoorten en het werd na recent erfelijkheidsonderzoek weer in gebruik genomen; Mathews gaf geen verklaring voor de naam Zanda zelf. latirostris betekent breedsnavelig, van latus (breed) en rostrum (snavel) — let op dat dit precies het omgekeerde lijkt van de Nederlandse gidsnaam: die stelt de snavel tegenover de veel langere snavel van baudinii, terwijl het epitheton en de Spaanse naam piquicorta op de korte, brede vorm wijzen. De Engelse naam eert de beschrijver.