Alle soorten › Zangvogels › Doornsnavels en verwanten › Chathammangrovezanger

Chathammangrovezanger | Gerygone albofrontata

Chatham Islands Gerygone | Gerigón de las islas Chatham

De chathammangrovezanger komt uitsluitend voor op de Chathameilanden, een kleine archipel achthonderd kilometer ten oosten van Nieuw-Zeeland, en nergens anders ter wereld. Binnen het geslacht is hij een buitenbeentje: groter dan zijn verwanten, en de enige waarbij mannetje, vrouwtje en jonge vogel elk een eigen verenkleed dragen. Dat maakt hem, in een geslacht waar de meeste soorten alleen op hun stem uit elkaar te houden zijn, op zijn verenkleed herkenbaar — zolang je tenminste op het eiland staat waar hij leeft.

Chathammangrovezanger (Gerygone albofrontata)
Foto: Christopher Stephens — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje zingt een luide triller van vier noten, chi-ch-ch-ch, die hij een aantal keren achtereen herhaalt. New Zealand Birds Online omschrijft het geluid treffend als een maorimangrovezanger die niet helemaal is opgewonden: dezelfde kwaliteit, maar korter, trager en zonder het lange, wankele slot dat de vastelandsoort kenmerkt. Omdat op de Chathams geen andere Gerygone voorkomt, is elk zangetje van dit type hier meteen thuis te brengen.

Luister: ZangXC973050

Opname: David Boyle — CC BY-NC-SA 4.0 · Taiko Camp, Chatham Island , New Zealand · xeno-canto

Herkenning

Twaalf centimeter, forser dan de andere mangrovezangers van het gebied. Het mannetje heeft een opvallend wit voorhoofd, een witte wenkbrauw, een witte keel en witte onderdelen, met olijfbruine bovendelen en een rood oog. Het vrouwtje mist het witte voorhoofd, heeft dofgrijswitte onderdelen en een geelachtige wenkbrauw, wang en keel, en eveneens een rood oog. De jonge vogel lijkt op het vrouwtje maar is olijfgrijzer op de rug, geler op de onderdelen en heeft een bruin oog. Die drie duidelijk verschillende kleden zijn het kenmerk van de soort: geen andere Gerygone hier doet dat.

Verwarrings­soorten

Binnen het eigen gebied is verwarring uitgesloten, want hij is de enige mangrovezanger van de Chathams. Het probleem ligt in de vergelijking van buitenaf. De maorimangrovezanger (Gerygone igata) van het Nieuw-Zeelandse vasteland is kleiner, heeft bij beide geslachten hetzelfde grijze kleed zonder wit voorhoofd, en foerageert veel bidvliegend, terwijl deze soort zelden bidt. De norfolkmangrovezanger (Gerygone modesta) is eveneens een eilandendemiet, effen grijsbruin en zonder de witte voorhoofdsvlek; ook daar scheidt de geografie de soorten volledig. Van de Australische soorten is er geen enkele die de Chathams bereikt, zodat de witbrauwmangrovezanger (Gerygone levigaster) en de dikbekmangrovezanger (Gerygone magnirostris) hier uitsluitend theoretisch meedoen.

Leefgebied

Bos van de Chathameilanden: de resterende gemengde loofbossen en het struweel van de zuidelijke helft van Chatham Island en van de kleinere eilanden. Hij foerageert in het kroondak en tot in de strooisellaag, op rupsen, vliegen, kevers en spinnen, en bidt daarbij zelden — hij raapt zijn prooi van blad en tak. Het nest is een gesloten, hangende koepel die het vrouwtje bouwt; op het hoofdeiland hangt het vrij in de open ruimte, op de omliggende eilanden juist verscholen in dicht blad. Er worden twee tot vier witte, roodgevlekte eieren gelegd, gebroed wordt zo'n negentien en een halve dag en de jongen blijven ongeveer twintig dagen op het nest.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch op de Chathameilanden en daar wijdverbreid en plaatselijk algemeen in het bos van de zuidelijke helft van Chatham Island, met daarnaast populaties op Pitt Island, Little Mangere, de Star Keys, Rangatira en Mangere. Het hele wereldareaal beslaat daarmee enkele tientallen vierkante kilometers bos — een van de kleinste van alle soorten in deze gids. Hij is standvogel; er is geen trek tussen de eilanden onderling van betekenis.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Je moet naar de Chathams, en dat is meteen de belangrijkste veldtip: elk klein grijsbruin vogeltje dat daar in het bos rondscharrelt en een korte triller laat horen, is deze soort. Zoek in de zuidelijke bosrestanten van het hoofdeiland, luister naar de vier korte noten en zoek dan naar de vogel op middelhoogte. Kijk gericht naar het voorhoofd: is het wit, dan is het een mannetje; is het geelachtig aan wang en keel, dan een vrouwtje of een jonge vogel. Dat onderscheid is hier zinvoller dan de soortdeterminatie zelf.

Staat van instandhouding

De IUCN houdt hem op niet bedreigd (LC), maar dat oordeel verhult de kwetsbaarheid. De populatie wordt geschat op zo'n vijfduizend volwassen vogels en zou dalende zijn, en het areaal is zo klein dat één gebeurtenis het geheel kan raken. De belangrijkste bedreiging is verlies van bos — op Chatham Island is het meeste oorspronkelijke bos verdwenen voor veeteelt — gevolgd door predatie door ratten en katten en, in mindere mate, broedparasitisme door de gouden bronskoekoek (Chalcites lucidus). Tegenover die druk staat een opvallend hoog broedsucces: New Zealand Birds Online geeft zevenentachtig procent, tegen achtendertig procent bij de maorimangrovezanger. Nieuw-Zeeland zelf hanteert de status 'van nature ongewoon'. Herstel van bos en beheersing van ingevoerde zoogdieren zijn de sleutel.

Wetenschappelijke naam

Gerygone albofrontata | Gray, 1845

George Robert Gray beschreef de soort in 1845. Het epitheton albofrontata is Latijn voor 'witvoorhoofdig' en slaat precies op het kenmerk waaraan het mannetje te herkennen is — een ongewoon nuttige naam in een geslacht waarin de meeste namen weinig houvast bieden. De geslachtsnaam Gerygone wordt gewoonlijk als 'geboren uit zang' gelezen. De Nederlandse naam kiest de vindplaats, net als de Engelse Chatham Islands Gerygone en de Spaanse gerigón de las islas Chatham. Het woorddeel mangrovezanger in de Nederlandse naam is hier volstrekt misleidend: op de Chathams groeit geen mangrove, en deze vogel heeft er nooit een gezien.