Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Bruine jager

Bruine jager | Stercorarius antarcticus

Brown Skua | Escúa antártica

De bruine jager is het zwaarste roofdier in de lucht boven de subantarctische eilanden: een forse, tonvormige bruine vogel ter grootte van een kelpmeeuw, met een zware zwarte haaksnavel en in elke vleugel een grote witte vlek die bij iedere slag oplicht. Hij leeft van wat andere zeevogels hem opleveren — eieren, kuikens, volwassen stormvogels die 's nachts uit hun holen komen, aas bij de zeehondenstranden — en verdedigt zijn territorium met stootduiken op alles wat te dichtbij komt, de bezoeker inbegrepen. Vrouwtjes zijn merkbaar groter dan mannetjes.

Bruine jager (Stercorarius antarcticus)
Foto: BluesyPete — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Bij het nest is hij luidruchtig. Het territoriumlied is een rauwe, dalende reeks aa-aa-aa die de vogel uitstoot terwijl hij beide vleugels recht omhoog steekt, een houding die op de eilanden de vikinghelm wordt genoemd en die al van ver te zien is. Op de grond klinkt bij onrust een kwakend, eendachtig geluid. Wie te dicht bij een nest komt krijgt tijdens de stootduik een oorverdovende gil over zich heen. Op zee en in gewone vlucht zwijgt hij vrijwel altijd.

Luister: VluchtroepXC863959

Opname: Kevin Guille — CC BY-NC-SA 4.0 · Mayes island, France · xeno-canto

Herkenning

Een grote, zwaargebouwde bruine zeevogel van ruim zestig centimeter met een spanwijdte van ongeveer anderhalve meter en een gewicht van anderhalf tot ruim twee kilo — bij de grootste vogels het dubbele van een middelste jager. De snavel is kort, zwart en sterk gehaakt, de poten en de ogen zijn zwart, de vleugels zijn breed en puntig en dragen boven én onder een grote witte handpenvlek die het vastste kenmerk van de soort is. De staart is kort en wigvormig. Het kleed loopt van egaal donker roetbruin tot bleker en gevlekt, met goudgele streepjes in de nek, maar op dat verschil moet je niet varen: formaat, de zwaarte van de snavel en de brede, tonvormige romp zijn wat telt. Vrouwtjes zijn duidelijk groter dan mannetjes, verder zien ze er gelijk uit. De vlucht is traag en meeuwachtig, maar bij een aanval schakelt hij naar een snelheid die je niet verwacht.

Verwarrings­soorten

De zuidpooljager (Stercorarius maccormicki) is het echte probleem: kleiner en slanker, met een kortere, stompere snavel en meestal een sterk contrast tussen een bleke, honingkleurige kop en romp en donkere vleugels. Donkere zuidpooljagers missen dat contrast en zijn dan alleen op formaat en snavelzwaarte te scheiden; op het Antarctisch Schiereiland, waar de twee elkaar raken, hybridiseren ze bovendien. De middelste jager (S. pomarinus) en de kleine jager (S. parasiticus) zijn veel lichter gebouwd, met smallere vleugels, een kleiner hoofd en een wendbare, valkachtige vlucht in plaats van een tonvormig lijf; de kleinste jager (S. longicaudus) is nog eens lichter en vliegt sternachtig. Een jonge kelpmeeuw (Larus dominicanus) is eveneens bruin gevlekt en even groot, maar mist de witte vleugelvlek volledig, heeft een slankere snavel en vliegt met veel minder kracht.

Leefgebied

Om te broeden kiest hij op de subantarctische eilanden open terrein met lage vegetatie: kustterrassen, tussockgrasland (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland), kale rotskoppen en de randen van veenvlakten, bij voorkeur op loopafstand van een pinguïnkolonie, een veld met stormvogelholen of een zeehondenstrand dat aas en nageboorte levert. Sommige paren broeden in losse groepjes, andere volledig alleen op een eigen kaap. Buiten de broedtijd leeft hij geheel op zee, boven het continentaal plat en in de subantarctische wateren, waar hij vissersschepen en walvisaas volgt.

Verspreiding en trek

Binnen het kaartvenster broedt hij op alle Nieuw-Zeelandse subantarctische eilandgroepen — Snares, Antipoden, Aucklandeilanden en Campbell — en daarnaast op de Chathams, op de eilandjes rond Stewarteiland en op de Solanders, met een enkel paar in zuidelijk Fiordland. Aan Australische kant broedt hij op Macquarie, en buiten het kaartvenster ook op Heard en McDonald. Buiten het broedseizoen verspreiden de vogels zich noordwaarts: over de Tasmanzee, langs beide Nieuw-Zeelandse hoofdeilanden en langs de Australische zuidoostkust, waar ze het hele jaar door maar vooral in de winter op pelagische tochten worden gezien, tot in subtropische wateren. Op Norfolk is hij vrijwel afwezig.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Op een subantarctische cruise hoef je niets te doen: hij komt naar de boot zodra er iets eetbaars overboord gaat, en blijft dan minutenlang naast de reling hangen. Aan land op de eilanden zoek je hem al helemaal niet — als je in de buurt van een nest komt, komt hij naar jou toe, en de stootduik komt van achteren; een omhooggestoken hand of wandelstok is genoeg om de vogel te laten afbuigen. Langs de gewone kust van Nieuw-Zeeland en zuidoostelijk Australië loont een pelagische tocht boven de rand van het plat, en let dan bij elke grote donkere vogel op de witte vleugelvlek: die verraadt hem verder dan welk kleedkenmerk ook.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) op wereldschaal, maar in de Nieuw-Zeelandse nationale lijst staat hij als nationaal kwetsbaar (Nationally Vulnerable) — de broedpopulatie is klein en geconcentreerd op een handvol eilandgroepen, en staat of valt met de zeevogelkolonies waarvan hij leeft. Ingevoerde katten, ratten en varkens op de Aucklandeilanden hebben zowel zijn nesten als zijn prooidieren aangetast, en bijvangst in de langelijnvisserij eist elders in het subantarctische gebied zijn tol. Op Macquarie vormden konijnen lange tijd een groot deel van het menu; sinds die in 2014 van het eiland zijn verdwenen is de voedselbasis van de jagers daar wezenlijk veranderd, en de gevolgen worden nog gevolgd.

Wetenschappelijke naam

Stercorarius antarcticus | (Lesson, 1831)

Lesson beschreef de soort in 1831 als Lestris antarcticus; omdat ze later naar een ander geslacht verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson, naar het Latijnse stercus, 'mest', naar het oude zeemansgeloof dat jagers de uitwerpselen van hun slachtoffers aten terwijl het in werkelijkheid om uitgebraakte vis ging. antarcticus betekent eenvoudig 'van het zuidpoolgebied'. Lesson gaf als herkomst zowel de Falklandeilanden als Nieuw-Zeeland; Mathews beperkte de typelocatie in 1912 tot de Falklandeilanden. De vogels van dit gebied horen tot de ondersoort lonnbergi, die Mathews in datzelfde jaar noemde naar de Zweedse zoöloog Einar Lönnberg. In het Maori heet de vogel hakoakoa.