Alle soorten › Zangvogels › Kwartellijsters › Bruinborstkwartellijster

Bruinborstkwartellijster | Cinclosoma castaneothorax

Chestnut-breasted Quail-Thrush | Zordala pechicastaña

De bruinborstkwartellijster loopt over de steenvlakten en de afbrokkelende randen van het noordoostelijke binnenland, waar het gruis dezelfde kleur heeft als zijn rug. Hij is een van zes kwartellijsters van het droge Australië die onderling zo sterk op elkaar lijken dat vogelaars ze in de praktijk op de kaart determineren en niet op de vogel. Deze is de soort van zuidelijk Queensland en het noordwesten van Nieuw-Zuid-Wales.

Bruinborstkwartellijster (Cinclosoma castaneothorax)
Foto: coanne — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een uiterst hoge, dunne, aanhoudende fluittoon, tsiiiie, die vaak seconden achtereen op één hoogte blijft staan en waarvan het onmogelijk is te horen waar hij vandaan komt; veel oren verliezen hem met het klimmen der jaren geheel. Daarnaast een kort, laag tjoep als contactgeluid tussen de vogels van een paar, dat beter te plaatsen is. Het mannetje roept vooral in de eerste twee uur na zonsopgang, meestal vanaf de grond of een lage steen, en houdt daarbij de snavel nauwelijks open. Bij verstoring valt alles stil.

Luister: ZangXC924844

Opname: Louis Masarei — CC BY-NC-SA 4.0 · Bladensburg NP, Winton, Australia · xeno-canto

Herkenning

Achttien tot eenentwintig centimeter, met een zware kop, korte ronde vleugels, stevige poten en een middellange staart met witte punten. Het mannetje heeft een grijsbruine kruin en rug, een scherpe witte wenkbrauwstreep, een zwarte keel met daaronder een witte vlek in de baardstreek, en een brede kaneelbruine borstband die aan de onderkant door een zwarte band van de witte buik wordt gescheiden. De flanken zijn zwart met witte strepen, de schouders bruin met witte veerschachten. Het vrouwtje is veel doffer: de keel is grijs in plaats van zwart, de wenkbrauwstreep is beige en de bruine borstband is flauw of afwezig. Jonge vogels lijken op het vrouwtje. Opvliegen gebeurt laat en laag, met een flits wit in de staarthoeken, en de vogel landt weer binnen vijftig meter.

Verwarrings­soorten

Hier geldt, eerlijk gezegd, dat veldherkenning zonder bekend areaal vaak niet mogelijk is. De vijf andere kwartellijsters van het droge binnenland lijken alle sterk op deze soort, en het complex is bovendien recent taxonomisch herzien, zodat oudere gidsen niet meer kloppen. Cinclosoma marginatum, de westelijke kwartellijster, was tot voor kort een ondersoort van deze soort en is er nauwelijks van te onderscheiden; hij zit duizenden kilometers westelijker, van de Pilbara tot Southern Cross, en heeft lichter gezoomde rug- en schouderveren en een smallere, valere borstband. Cinclosoma cinnamomeum, de bruine kwartellijster, is kleiner, kaneelkleuriger op de rug en heeft geen bruine borstband maar een zwarte; hij zit westelijker, in het Lake Eyre-bekken. De nullarborkwartellijster (Cinclosoma alisteri) is nog kleiner en zandkleurig grijs. De roodrugkwartellijster (Cinclosoma castanotum) en de koperrugkwartellijster (Cinclosoma clarum) zijn beide duidelijk groter en hebben een diep kastanjebruine respectievelijk koperkleurige rug in plaats van een bruine borstband. De gevlekte kwartellijster (Cinclosoma punctatum) is de enige die werkelijk anders is: groter, zwart-wit gespikkeld op schouder en flank, en een vogel van vochtiger bos in het zuidoosten. Wie een kwartellijster ziet en niet weet waar hij staat, kan de soort niet vaststellen; wie wel weet waar hij staat, heeft de determinatie meestal al binnen.

Leefgebied

Steenachtig, open, laag begroeid droog land: gibbervlakten (steenwoestijn met een dek van gepolijste keien) met verspreide lage struiken, de afbrokkelende randen en tafelbergjes die in Australië 'jump-ups' en 'breakaways (lage, afbrokkelende tafelbergranden in het binnenland)' heten, en stroken mulga (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura) en ander acaciastruweel op grind. Ook spinifexpollen (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland) op stenige hellingen. De vogel moet kunnen lopen en tegelijk dekking binnen een paar passen hebben; dichte struiklaag zonder open grond ertussen gebruikt hij niet, en zand zonder steen evenmin.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Het binnenland van oostelijk Australië: zuidelijk en zuidwestelijk Queensland, met het zwaartepunt rond de Grey Range en het Bulloo-bekken, en van daar zuidwaarts tot in het noordwesten van Nieuw-Zuid-Wales. Standvogel met een klein, vast terrein, maar in droogtejaren verschuiven paren over tientallen kilometers naar plekken waar nog kruidgroei staat. Het areaal is klein vergeleken met dat van de andere kwartellijsters en valt vrijwel niet samen met dat van de vijf verwanten — dat vrijwel ontbreken van overlap is precies wat determinatie op kaart mogelijk maakt. Waarnemingen zijn schaars, wat eerder de afgelegen ligging van het gebied weerspiegelt dan de aantallen.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in de eerste twee uur na zonsopgang langzaam over een grindweg door stenig land en stop bij elke breakaway. Loop een stuk te voet, blijf om de honderd meter stilstaan en luister naar iets heel hoogs en aanhoudends dat nergens vandaan lijkt te komen. Zie je niets, zoek dan naar beweging op de grond tussen de stenen in plaats van naar een vogelsilhouet: een stilstaande kwartellijster is vrijwel onzichtbaar. Noteer altijd nauwkeurig waar je stond — bij deze zes soorten is de plek het belangrijkste kenmerk dat je vastlegt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort leeft in dunbevolkt land dat voor landbouw ongeschikt is, zodat directe aantasting van het leefgebied beperkt blijft. De reële zorgen zijn begrazing door runderen, schapen en vooral geiten, die de lage kruidlaag tussen de stenen wegnemen waar de vogel dekking en voedsel vindt, en verder vossen en verwilderde katten, die voor een grondbroeder gevaarlijk zijn. Doordat het complex pas onlangs is opgesplitst, zijn de meeste oudere tellingen niet aan de huidige soortgrenzen toe te rekenen; de gegevensbasis is daarmee dunner dan de rustige status suggereert.

Wetenschappelijke naam

Cinclosoma castaneothorax | Gould, 1849

John Gould beschreef de vogel in 1849 als Cinclosoma castaneothorax, en in dat geslacht staat hij nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Vigors en Horsfield voerden het geslacht Cinclosoma in 1827 in, uit Grieks kinklos (een niet nader bepaalde oevervogel) en soma (lichaam). Het epitheton is samengesteld uit Latijn castaneus (kastanjebruin) en Grieks thōrax (borst) en betekent dus 'met kastanjebruine borst', naar de borstband van het mannetje. De typelocatie is de Darling Downs in Queensland, in latere literatuur gelezen als de bovenloop van de Dawson. De westelijke vorm marginatum werd lang als ondersoort bij deze soort gehouden en geldt sinds de recente herziening als eigen soort; de Nederlandse naam 'bruinborstkwartellijster' vertaalt het Engelse Chestnut-breasted Quail-Thrush.