Alle soorten › Zangvogels › Elfjes › Bont elfje

Bont elfje | Malurus lamberti

Variegated Fairywren | Maluro variegado

Het bonte elfje is het oostelijke lid van de groep elfjes met roestbruine schouders: een klein, langstaartig vogeltje waarvan het mannetje in broedkleed hemelsblauw, zwart en roestbruin is. Sinds 2018 geldt alleen de populatie ten oosten van het Groot Australisch Scheidingsgebergte als deze soort; alles westelijker is nu het roestschouderelfje (Malurus assimilis).

Bont elfje (Malurus lamberti)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoge, snelle triller van tien tot twintig korte elementen per seconde, die één tot vier seconden duurt; van alle elfjes is dit de zachtste. Beide seksen zingen hem, vooral bij grensgeschillen. Het contactgeluid is een dun tsst of sieee, waaraan de groepsleden elkaar in dekking volgen; de alarmroep is een kort, scherp tsit.

Luister: ZangXC889852

Opname: Ruth Appleby — CC BY-NC-SA 4.0 · Buckland bushwalk, Springwood, New South Wales, Australia · xeno-canto

Herkenning

Veertien tot vijftien centimeter, waarvan bijna de helft staart, die rechtop wordt gedragen. Het mannetje in broedkleed heeft felblauwe oorpluimen met een iets donkerder kruin, een zwarte keel en nek, een diepblauwe mantel, roestbruine schouders, grijsbruine vleugels, een blauwgrijze staart en een roomwitte buik. Vrouwtjes, jonge vogels en mannetjes buiten de broedtijd zijn overwegend grijsbruin. Alle mannetjes hebben een zwarte snavel en zwarte teugel, vrouwtjes een roodbruine snavel en heldere roestkleurige teugel. Jonge mannetjes hebben na een half jaar al een zwarte snavel.

Verwarrings­soorten

Het grootste struikelblok is het roestschouderelfje (Malurus assimilis), tot 2018 dezelfde soort: mannetjes daarvan hebben een blauwpaarse kruin en mantel in plaats van hemelsblauw en diepblauw, maar in het veld is het verspreidingsgebied doorslaggevend — deze soort blijft ten oosten van het Groot Australisch Scheidingsgebergte, met een brede strook overgangsvormen in zuidelijk Queensland tussen Goondiwindi, Wide Bay, Rockhampton en Emerald. Het ornaatelfje (Malurus cyaneus) mist de roestbruine schouders en is kleiner en korter van staart; zijn vrouwtje is effen bruin, dat van het bonte elfje heeft een vage grijsblauwe waas. Vrouwtjes en eclipsmannetjes van alle elfjes zijn overwegend bruin en vaak alleen op gezelschap en gebied te plaatsen; een bruine vogel met zwarte snavel en zwarte teugel is een mannetje in eclips, geen vrouwtje.

Leefgebied

Struikgewas en bosranden met een dichte, aaneengesloten onderlaag: droog eucalyptusbos met struiklaag, oostelijke heide en ruigte langs kreken. In de buitenwijken van Sydney houdt hij stand, en uit onderzoek daar komt naar voren dat hij eerder op soortenrijke beplanting afgaat dan op dekking alleen. Aanplant van dennen of eucalyptus is ongeschikt: daar ontbreekt de onderlaag. Hij foerageert vooral dieper in de struiken, tot twee meter hoogte, minder op open grond dan het ornaatelfje.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Oostelijk Australië ten oosten van het Groot Australisch Scheidingsgebergte, van ongeveer Gladstone in het zuidoosten van Queensland zuidwaarts tot in het noordoosten van Nieuw-Zuid-Wales. Standvogel: een paar of groepje verdedigt jaarrond hetzelfde kleine terrein. Bij grote hitte zijn vogels gezien die in holen van zoogdieren schuilden.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek laag en zoek naar beweging langs een struikrand; de zachte triller draagt niet ver, dus kom dichtbij en blijf staan. In het voorjaar en de zomer draagt een baltsend mannetje soms een geel bloemblaadje in de snavel dat hij aan een vrouwtje aanbiedt — bij deze soort is het geel, bij andere elfjes roze, paars of rood. Bij een nest met jongen kan een vogel het muisloopvertoon vertonen: met gestreken kop, gespreide vleugels en opgezette veren rent hij muisachtig weg terwijl hij aanhoudend alarmeert.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Nestrovers zijn onder meer de zwartrugfluitvogel, orgelvogels, kookaburra's, klauwierkraaien, kraaien en raven en lijsterdikkoppen, en de ingevoerde vos, verwilderde kat en zwarte rat. De belangrijkste plaatselijke oorzaak van verdwijnen is het opruimen van de struiklaag; waar dichte beplanting terugkomt, keert de soort mee terug.

Wetenschappelijke naam

Malurus lamberti | Vigors & Horsfield, 1827

Nicholas Aylward Vigors en Thomas Horsfield beschreven de vogel in 1827 in de Transactions of the Linnean Society of London, naar een exemplaar zonder vindplaats dat later aan Nieuw-Zuid-Wales is toegeschreven. Het soortdeel lamberti eert de Britse verzamelaar Aylmer Bourke Lambert. Het geslacht Malurus werd in 1816 door Vieillot ingevoerd, uit Grieks malos (zacht) en oura (staart). Tot 1978 heette de vogel in het Engels variegated wren; de Nederlandse naam volgt het bonte, gevlekte kleed van het mannetje.