Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Australische lobeend

Australische lobeend | Biziura lobata

Musk Duck | Malvasía papuda

De Australische lobeend is de zonderling van de Australische watervogels: een zware, roetbruine duikeend die zo laag in het water ligt dat alleen de rug en de kop boven de waterspiegel uitkomen. Het mannetje draagt een grote leerachtige lel onder de snavel, weegt anderhalf keer zoveel als het vrouwtje en verspreidt in het broedseizoen een doordringende muskuslucht uit een klier op de stuit.

Australische lobeend (Biziura lobata)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het baltsende mannetje maakt een geluidenreeks in twee delen: eerst een doffe, klappende plons wanneer hij met beide poten tegelijk het water opzij trapt, ker-plonk, en meteen daarna een hoog, scherp en ver dragend fluitje, fwie-ie. Die reeks herhaalt hij uren achtereen, dag en nacht, en hij is over een kilometer open water te horen. Buiten de balts is de soort vrijwel zwijgzaam; het vrouwtje laat hooguit een laag, knorrend geluid horen. Een hand-opgekweekt mannetje in Tidbinbilla, Ripper genaamd, verving die fluittoon door een dichtslaande deur en een woordenreeks die als you bloody fool klinkt — opnamen uit 1987 die pas in 2021 werden gepubliceerd en die aantonen dat de soort geluiden kan aanleren.

Luister: ZangXC660684

Opname: nick talbot — CC BY-NC-SA 4.0 · Werribee Treatment Plant, Victoria, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een forse, geheel roetbruine eend met fijne lichtbruine dwarsbandering en een fijn gespikkelde kop, naar de buik toe bleker en bijna wit. De staart bestaat uit lange, stijve veren die meestal plat op het water slepen maar in de balts als een waaier over de rug worden geklapt. Het mannetje is enorm — tot 73 cm en ruim twee kilo — en heeft een zwarte, hangende huidlel onder de snavel, die in het voorjaar opzwelt; het vrouwtje is nauwelijks meer dan half zo zwaar en heeft slechts een klein knobbeltje. Snavel donkergrijs, oog donkerbruin. Vliegen doet hij zelden en met veel moeite; het beeld is dat van een vogel die duikt zodra je hem opmerkt.

Verwarrings­soorten

De Australische stekelstaart (Oxyura australis) ligt in hetzelfde rietmoeras even laag op het water en houdt de staart ook stijf omhoog, maar is veel kleiner, warm kastanjebruin, en het mannetje heeft een helblauwe snavel zonder lel. Van ver kan een duikende lobeend op de Australische dodaars (Tachybaptus novaehollandiae) of op een kleine bonte aalscholver (Microcarbo melanoleucos) lijken; let dan op de zware kop, de brede platte snavel en het volledig ontbreken van wit. Een tweede soort van het geslacht, de Nieuw-Zeelandse lobeend (Biziura delautouri), leefde op beide Nieuw-Zeelandse hoofdeilanden maar is uitgestorven, zodat er in het gidsgebied geen levende verwant meer is.

Leefgebied

Diepe, permanente zoetwaterlagunes en meren met dichte riet- en biezenoevers, waar hij het hele jaar kan duiken; daarbuiten ook grote stuwmeren, trage rivieren en zelfs estuaria en beschutte kustbaaien, vooral in de winter, wanneer vogels uit opgedroogde binnenlandse moerassen naar de kust uitwijken. Het nest is een grote kuip van omgetrapte vegetatie, diep in het riet verborgen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Alleen Australië. Het areaal loopt van het noordwesten van West-Australië door het zuiden en oosten tot in zuidelijk Queensland, met Tasmanië erbij, en reikt op sommige plaatsen honderden kilometers landinwaarts. De dichtste standen zitten in het zuidwesten van West-Australië en in het zuidoosten; de binnenlandse vogels zwerven met de waterstand. In Nieuw-Zeeland komt hij niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek op een groot, diep meer met rietrand en tuur het open water af naar een donkere, bijna vormeloze streep die niet op een eend lijkt; blijf kijken, want na de duik komt hij tientallen meters verderop weer boven. In de lente verraadt het mannetje zich zelf: ga bij zonsopgang of in het donker langs de rietrand staan en luister naar de plons gevolgd door het fluitje.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar de staatslijsten geven een ander beeld: kwetsbaar in Victoria, zeldzaam in Zuid-Australië en achteruitgaand in het zuidwesten van West-Australië. De soort heeft diep, permanent water met dichte oevervegetatie nodig en verdwijnt zodra moerassen worden drooggelegd of verzilten. Daarbij komen verdrinking in staande visnetten, verstoring van broedrietvelden en het uitblijven van goede broedjaren in droge reeksen.

Wetenschappelijke naam

Biziura lobata | (Shaw, 1796)

Shaw beschreef de vogel in 1796 als Anas lobata, bij de eenden, met een plaat onder de naam 'The Lobated Musk Duck'; omdat hij later naar een ander geslacht is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes, en de typelocatie is niet nader bepaald dan 'Nieuw-Holland'. Het geslacht Biziura werd in 1824 ingevoerd door Stephens, die er geen verklaring bij gaf; de herkomst van het woord is onbekend en vermoedelijk verzonnen. lobata is Latijn voor 'gelobd', naar de huidlel onder de snavel van het mannetje. De Nederlandse naam volgt dat kenmerk; de Engelse en de Spaanse naam wijzen op de muskusgeur en op de keellel.