Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Aleoetenstern

Aleoetenstern | Onychoprion aleuticus

Aleutian Tern | Charrán aleutiano

De aleoetenstern is de enige stern van dit gebied die ook van onderen grijs is: mantel, vleugels én borst en buik middengrijs, met een zuiver witte stuit en staart die bij het opvliegen als een lichte wig oplichten. Hij broedt aan de koude noordelijke Grote Oceaan, in Alaska en Oost-Rusland, en verschijnt hier uitsluitend als wintergast en doortrekker in Australische zeeën. Het is een van de weinige zeevogels waarvan het overwinteringsgebied pas in deze eeuw is opgehelderd.

Aleoetenstern (Onychoprion aleuticus)
Foto: Gregory "Slobirdr" Smith — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De stem is hoger, zachter en fluitender dan die van de sterns waarmee hij gezelschap houdt: het gewone contactgeluid is een gehaast tsjif-tsjif-tsjoe-ak, bij onrust gevolgd door een snel dalend wieh-hie-hie-hie. Het klinkt eerder als een steltloper dan als een stern, en wie op een zeetocht plotseling een fluitend keelgeluid tussen krijsende sterns hoort, moet die groep nakijken. In Australische wateren is hij meestal stil, want hij zit hier buiten de broedtijd.

Luister: VluchtroepXC1045888

Opname: AUDEVARD Aurélien — CC BY-NC-SA 4.0 · Fort Davis, Nome Census Area, Alaska, United States · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote, opvallend grijze stern van tweeëndertig tot negenendertig centimeter: mantel, vleugels en onderdelen middengrijs, met een witte stuit en staart die tegen die grijze rug afsteken. De zwarte kap laat een scherp afgesneden, bijna rechthoekige witte voorhoofdsvlek vrij die tot boven het oog doorloopt. Snavel en poten zijn zwart, in alle kleden en het hele jaar door — geen rood, geen oranje, geen gele punt. In de vlucht valt een donkere streep over de achterrand van de ondervleugel op, een kenmerk dat geen andere stern hier zo laat zien. De staart is diep gevorkt maar korter dan die van de noordse stern. Buiten de broedtijd, en dus in de kleden waarin hij hier verschijnt, is de kap onvolledig en wit gespikkeld, waardoor de vogel eerst op een gewone stern lijkt.

Verwarrings­soorten

In Australische wateren is de eerste toets het visdiefje (Sterna hirundo) en de tara-stern (Sterna striata): beide zijn van onderen wit of zeer licht en hebben nooit die egaal grijze borst en buik, en hun snavel heeft rood of oranje in de basis of is langer en slanker. De noordse stern (Sterna paradisaea) is grijzer van onderen dan het visdiefje, maar heeft witte wangen die scherp tegen de grijze borst afsteken en in de vlucht doorschijnende handpennen zonder de donkere ondervleugelstreep. De brilstern (Onychoprion anaethetus) en de bonte stern (Onychoprion fuscatus), zijn twee naaste verwanten uit hetzelfde geslacht en in dezelfde tropische wateren, zijn van boven donkerbruin of zwart en van onderen wit — precies omgekeerd dus. Let bij elke verdachte vogel op de combinatie van zwarte snavel, grijze onderdelen en witte stuit; die drie samen komen hier bij geen enkele andere stern voor.

Leefgebied

In dit gebied leeft hij volledig op zee: boven het continentaal plat en de diepere randen daarvan, vaak in gemengde troepen met andere sterns boven scholen kleine vis. Hij rust op drijvend materiaal en laat zich soms op een zandbank of een rifplaat zien tussen ruiende sterns, maar hij komt hier niet aan land om te broeden. Zijn broedgebied ligt ver buiten het kaartvenster: kwelders, riviermondingen en toendrastrandjes langs de koude Noord-Pacifische kusten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Binnen het kaartvenster van deze gids is hij een zeldzame gast in Australische zeeën, vrijwel uitsluitend bij de noordelijke en noordoostelijke kusten, en hij wordt bijna altijd ver uit de kust gezien, tussen andere sterns. Waarnemingen zijn er in de meeste jaren wel enkele, maar altijd in kleine aantallen, en de soort wordt vermoedelijk over het hoofd gezien. Van Nieuw-Zeeland is hij niet bekend. Zijn broedgebied — Alaska, de Aleoeten, Kamtsjatka, de Zee van Ochotsk en Sachalin — valt buiten deze gids; het overwinteringsgebied bleef tot voor kort een raadsel, tot in 2016 grote groepen werden ontdekt op zee in Indonesische wateren, ten noordwesten van dit gebied.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kans maak je vooral op een zeetocht boven het noordelijke continentaal plat, waar hij tussen brilsterns en kuifsterns kan zitten. Fotografeer elke afwijkend grijze stern: het onderscheid staat of valt met de grijze buik en de witte stuit, en die combinatie is op een foto beter te beoordelen dan door de verrekijker vanaf een deinend dek. Luister ook: het fluitende tsjoe-ak is bij een verre groep soms het eerste wat opvalt.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (VU), en daarmee de enige bedreigde soort onder de donkere sterns en noddy's van dit gebied. De reden ligt in het broedgebied: in Alaska zijn veel kolonies sinds de jaren zestig met tientallen procenten tot meer dan negentig procent teruggelopen, door predatie van vossen, meeuwen en ingevoerde roofdieren, door verstoring en door erosie en overspoeling van laaggelegen broedplaatsen. Omdat de trekroute en het overwinteringsgebied pas kort bekend zijn, is onduidelijk wat de vogels buiten de broedtijd bedreigt; bijvangst in de visserij en veranderend visaanbod in de tropische zeeën worden vermoed. Voor Australië betekent dat vooral dat elke goed gedocumenteerde waarneming telt.

Wetenschappelijke naam

Onychoprion aleuticus | (Baird, 1869)

Spencer Fullerton Baird beschreef de soort in 1869 als Sterna aleutica; omdat ze later naar een ander geslacht verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Onychoprion, waarin ook de bonte stern en de brilstern staan, is gevormd uit het Griekse onyx 'klauw' en prion 'zaag'. aleuticus betekent 'van de Aleoeten'. Het beschreven exemplaar kwam echter niet van die eilandenketen maar van Kodiak Island in Alaska, waar de soort nog altijd broedt — de naam is dus net iets naast de typelocatie.