Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Sarracenia psittacina

Sarracenia psittacina | Papegaaientrompetbekerplant

Parrot pitcher plant

De enige bekerplant die twee vallen tegelijk is: een bekerval als het droog is en een fuik als het moeras onderloopt. De bekers liggen stervormig plat op de grond, elk eindigend in een bolle kap met een gaatje in de zijkant — een papegaaienkop, vandaar de naam.

Sarracenia psittacina (Papegaaientrompetbekerplant)
Foto: Doug McGrady — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Sarracenia psittacina — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Sarah Stierch in kweek — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Sarracenia psittacina — de bloem
De bloem · Foto: 阿橋 HQ in kweek — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een platte rozet van 8 tot 30 cm lange bekers die als de spaken van een wiel uit het hart wegwijzen. Elke beker is 1 tot 4 cm breed, draagt aan de bovenkant een brede, bijna vleugelachtige lijst, en loopt uit in een gesloten, opgeblazen kap ter grootte van een duimtop. In die kap zit maar één opening: een spleetvormig gat aan de zijkant, gericht naar het hart van de rozet. De kap is bezaaid met witte, doorschijnende venstertjes (areolen) waar het licht doorheen valt. Kleur groen met rood aderwerk, in de zon dieprood aanlopend. In april en mei staat op een kale stengel één knikkende, donkerrode tot purperen bloem, hoger dan de bekers zelf.

Gelijkende soorten

Geen andere Sarracenia heeft deze gesloten kap met een ingangsgat opzij. S. purpurea en S. rosea liggen ook, maar hun beker staat wijd open naar boven en houdt water vast. S. minor heeft wel witte vensters, maar staat rechtop en het deksel buigt van bovenaf over een open mond heen. Wie erop let ziet het meteen aan de ligging: dit is de enige soort waarvan de bekers plat op het mos liggen en met de kop naar het midden wijzen. Kruisingen komen veel voor: S. × formosa (met S. minor) en S. × wrigleyana (met S. leucophylla) hebben een half opgerichte beker met een half gesloten kap — die tussenvorm is het teken van een hybride.

De val en hoe hij werkt

Twee vallen in één blad. Boven water werkt de beker als een fuik, hetzelfde beginsel als de aalfuik of de kreeftenkorf. Een mier of kever loopt over de vleugellijst naar het nectarspoor toe en kruipt door het zijgat de kap in. Binnen is het niet donker maar juist licht: de witte areolen laten daglicht door en lijken op uitgangen. Het dier loopt daarop af, botst tegen de wand, en gaat dan verder de enige weg die openstaat — de buis in, naar beneden. De hele binnenkant is bezet met lange, stijve, schuin naar binnen en naar beneden gerichte haren die als de baleinen van een fuik in elkaar grijpen: vooruit gaat vanzelf, terug is uitgesloten. De haren worden naar onderen toe fijner en dichter, tot het dier in het verteringssap onderin belandt. En dan de tweede val. Het moeras waarin deze soort staat, loopt in de winter en het vroege voorjaar geregeld onder; de rozetten staan dan wekenlang volledig onder water. De bekers blijven daarbij gewoon werken, alleen is de prooi een andere: kleine waterdieren die het zijgat in zwemmen — watervlooien en andere kreeftachtigen, waterkevers, larven, en volgens waarnemingen in het veld ook kikkervisjes en heel kleine visjes. De fuikharen doen onder water precies hetzelfde als erboven. Daarmee is dit de enige vleesetende plant van Noord-Amerika die zowel op het droge als onder water vangt, en het verklaart waarom hij juist op de laagste, natste plek van het moeras staat.

Standplaats en ecologie

De laagste, natste plekken van de kustvlakte: randen van moerasjes en zinkgatvennen, natte savanne en natte flatwoods, kwelmoeras op zand en de oevers van veenbeekjes — steeds daar waar het water in de winter over de grond staat. Zure, voedselarme, permanent doorweekte bodem met veenmos en zeggen. Hij staat er samen met S. rosea, S. leucophylla en S. flava, die de iets hogere en drogere plekken innemen. Ook deze soort is voor haar voortbestaan afhankelijk van regelmatige brand.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in de kustvlakte langs de Golf van Mexico: zuidelijk Louisiana, Mississippi, Alabama, de Panhandle en het noorden van Florida, en zuidelijk Georgia. Zijn areaal ligt daarmee bijna geheel binnen dat van S. leucophylla en S. rosea, maar reikt verder westwaarts, tot in Louisiana. Buiten Noord-Amerika is hij nergens ingeburgerd.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 50 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Naast de gewone plant komen anthocyaanvrije planten voor: geheel geelgroene bekers zonder rood aderwerk en gele bloemen, wild bekend van enkele vindplaatsen. De variatie in grootte tussen populaties is aanzienlijk — planten uit het Okefenokee-gebied worden veel forser dan die van de Panhandle — maar wordt niet in erkende variëteiten gevangen. Wat je in het veld wél tegenkomt zijn de kruisingen, en die zijn hier talrijk: S. × formosa met S. minor, S. × wrigleyana met S. leucophylla, S. × courtii met S. rosea en S. × gilpinii met S. rubra. Ze zijn te herkennen aan de half opgerichte bekers en de kap die de mond niet helemaal sluit. Op menige gemengde vindplaats zijn er meer hybriden dan zuivere planten van één ouder; een plant met tussenkenmerken is bijna nooit een bijzondere vorm en bijna altijd een kruising.

Waar en wanneer te zien

April en mei, als de donkerrode bloemen boven de rozetten uitkomen — de bekers zelf liggen in het mos en zijn zonder bloem lastig te vinden. Ga na een winterse brand, wanneer het gras kort staat, en zoek de laagste plek van de savanne op; als je schoenen onderlopen, sta je goed. Til een rozet niet op, maar kniel en kijk in het zijgat: bij tegenlicht zie je de witte vensters oplichten en de rij haren in de buis staan. Op vindplaatsen die in de winter onder water staan, laat de plant zich in die tijd helemaal niet zien.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst als niet bedreigd (LC): de soort is binnen haar areaal nog wijd verbreid en plaatselijk talrijk. Het gaat echter om hetzelfde krimpende landschap als bij de andere bekerplanten van de Golfkust — natte savanne die is omgezet in dennenplantage, ontwaterd of niet meer gebrand — en juist de laagste, natste plekken waar deze soort staat, zijn gevoelig voor ontwatering en voor het dichtgroeien met struiken. Uitgraven voor de handel speelt bij het hele geslacht mee. Als Sarracenia valt hij onder CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Sarracenia psittacina | Michaux, 1803

André Michaux beschreef de soort in 1803. Geen precieze typelocatie opgegeven; de soort komt van nature voor in de kustvlakte van het zuidoosten van de Verenigde Staten, van Georgia tot Louisiana. De soortnaam psittacina is Latijn voor 'papegaaiachtig', naar de gebogen, papegaaiensnavelvormige kap boven de opening van de beker.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.