Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula zecheri

Pinguicula zecheri

Een grootbloemig vetblad van de bergen van Guerrero, rond de pas Puerto del Gallo op tweeëneenhalfduizend meter, waar het langs de weg op vochtige, bemoste taluds groeit — soms zelfs tussen veenmos. Pinguicula zecheri is tegelijk een van de omstreden soorten van deze gids: niet iedereen aanvaardt haar als zelfstandige soort, en dat maakt haar bladzijde meteen een les in hoe variabel het Pinguicula moranensis-complex is.

Pinguicula zecheri
Foto: Donald Pendleton — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een vetblad uit de grootbloemige Mexicaanse groep, met een vlakke rozet van kleverige zomerbladeren en een compactere rozet van dikke blaadjes in de droge tijd. De bloemen zijn lichtpaars tot roze, met witte en soms donkerder paarse strepen aan de voet van de onderlip; in het veld is de kleurvariatie binnen één populatie opvallend groot, van donkerpaars tot bijna lichtroze, en ook de grootte en vorm van de kroonslippen wisselen sterk. Voor de precieze maten van rozet, blad, bloemsteel, bloem en spoor hebben wij geen toetsbare opgave uit de oorspronkelijke beschrijving kunnen vinden; die velden zijn daarom in de feitenkaart leeg gelaten.

Gelijkende soorten

Dit is precies het probleem van deze soort. Pinguicula moranensis groeit in dezelfde bergen van Guerrero, bij Chilapa en ook bij Puerto del Gallo zelf, en P. orchidioides komt er eveneens voor. Sommige onderzoekers beschouwen P. zecheri dan ook niet als aparte soort maar als een grootbloemige vorm binnen het zeer variabele P. moranensis-complex. De internationale soortenlijsten aanvaarden de naam wel, en deze gids volgt die lijn, maar de lezer doet er goed aan de determinatie in het veld als voorlopig te behandelen en vooral de standplaats en de bloemkenmerken goed vast te leggen.

De val en hoe hij werkt

De vangwijze is die van het hele geslacht: gesteelde klieren op de bovenzijde van het zomerblad dragen een heldere, taaie druppel, zittende klieren daartussen geven pas verteringsenzymen af zodra er een prooi op ligt, en de bladrand buigt zich in de loop van een dag over de vangst zodat het vocht in een ondiepe kom blijft staan. Op vochtige, bemoste bermtaluds in dennenbos op tweeëneenhalfduizend meter bestaat de vangst uit dansmuggen, kleine vliegen en gevleugelde mieren. De dikke wintergedaante is niet-vangend en overbrugt de droge maanden.

Standplaats en ecologie

Vochtige, bemoste taluds langs bergwegen — soms met veenmos — in een gebied van overwegend dennenbos, op 2250 tot 2400 m hoogte, met daarnaast bergnevelwoud waarin Quercus, Pinus en Abies voorkomen. De bermtalud is hier de standplaats bij uitstek: een kunstmatige, permanent natte, voedselarme wand die precies biedt wat deze planten nodig hebben, namelijk veel licht, doorstromend water en nauwelijks concurrentie (H1, R1, B5). Dat maakt de soort goed vindbaar, maar ook rechtstreeks afhankelijk van het beheer van die wegen.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in de Mexicaanse staat Guerrero, in de bergen rond Puerto del Gallo in de Sierra Madre del Sur — in overeenstemming met de opgave in onze soortenlijst. Het bekende areaal is klein en betreft enkele passen en bergwegen in een verder moeilijk toegankelijk gebied. Guerrero is een van de slechtst doorzochte staten van Mexico wat vetbladen betreft — het is dezelfde staat waar P. imitatrix sinds 1939 zoek is — zodat het beeld van de verspreiding hier met meer dan gewone voorzichtigheid moet worden gelezen.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 7 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten in het wild beschreven, maar de variatie binnen de populaties is juist bij deze soort het onderwerp. In het veld lopen de bloemkleuren binnen één vindplaats van donkerpaars via roze tot bijna lichtroze, en de kroonslippen verschillen in grootte en vorm van plant tot plant; ook de keeltekening in wit en paars wisselt. Het is precies die breedte die de vraag opwerpt of het hier om een eigen soort gaat of om een uiterste van het P. moranensis-complex. In de plantenhandel circuleren vele klonen onder deze naam; die horen niet in deze gids, omdat het geen in het wild onderscheiden vormen zijn.

Waar en wanneer te zien

Rijd de bergwegen rond Puerto del Gallo en stop bij elke noord geëxponeerde, natte talud met dikke mosbegroeiing — dat is de standplaats. Kijk zowel naar de wand als naar de greppelrand eronder. De grote lichtpaarse tot roze bloemen zijn van de weg af te zien. Fotografeer bij elke plant de bloem van voren en van opzij, met het spoor op maat, en noteer hoogte en standplaats; gezien de taxonomische onzekerheid is een goed gedocumenteerde reeks waarnemingen hier waardevoller dan een naam. Laat de planten staan en betreed de taluds niet.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is, wijst op een klein areaal in één bergstreek en op standplaatsen die volledig samenvallen met bermtaluds langs bergwegen. De genoemde bedreigingen in dit gebied zijn ontbossing voor commerciële houtkap en omzetting van bos naar koffieplantages; beide tasten het bosklimaat aan waarvan de vochtige taluds afhankelijk zijn. Daarbij komt dat wegwerkzaamheden — verbreding, betonnering, het schonen van greppels — een populatie in één seizoen kunnen wegnemen. De taxonomische onzekerheid maakt het bovendien lastiger om de soort in beschermingsplannen op te nemen; een formele beoordeling ontbreekt.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula zecheri | Speta & Fuchs, 1982

Op naam gebracht door Franz Speta en Franz Fuchs; de naam werd al in 1982 voorgesteld, maar lijkt pas geldig gepubliceerd te zijn in Phyton (Horn) 56: 158, met een jaartal (2016) dat afwijkt van de eerdere vermelding — dit verschil kon niet met zekerheid worden opgehelderd. De soort komt voor in het zuiden van Mexico (onder meer bij Puerto del Gallo, in de staat Guerrero, op 2000–3000 meter hoogte); de precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald. Wie precies met de soortnaam wordt geeerd, kon niet met zekerheid worden achterhaald.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.