Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula vulgaris

Pinguicula vulgaris | Vetblad

Common butterwort | Grasilla común

Het vetblad dankt zijn naam aan het blad: geelgroen, glanzend en vettig aanvoelend, alsof er boter overheen is gestreken. Wie hem in een kalkmoeras of langs een bergbeek tegenkomt ziet eerst de violette bloem op zijn dunne steeltje, en pas daarna de rozet eronder waar de muggen aan vastzitten. In Nederland is hij vrijwel verdwenen; in het noorden van Europa en in de bergen is hij nog gewoon.

Pinguicula vulgaris (Vetblad)
Foto: Bernd Haynold — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula vulgaris — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Björn S — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula vulgaris — de bloem
De bloem · Foto: NTNU Vitenskapsmuseet — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula vulgaris — de standplaats
De standplaats · Foto: Gunther Tschuch — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Variëteiten

Pinguicula vulgaris — f. bicolor — onderlip wit, buis en spoor blijven violet: tweekleurige bloem
f. bicolor — onderlip wit, buis en spoor blijven violet: tweekleurige bloem · Foto: Bartosz Cuber — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een platte rozet van gele tot geelgroene, langwerpig-eironde bladeren met omgerolde randen, vettig glanzend en aan de bovenkant kleverig. Uit de rozet komen een of enkele kale, dunne bloemstelen van 5 tot 15 cm, elk met één bloem. De bloem is violet met een witte, behaarde vlek in de keel; de kroon is 10 tot 15 mm lang, langer dan breed, en de slippen van de onderlip zijn duidelijk langer dan breed en raken elkaar niet. De spoor is recht en spits en haalt een derde tot de helft van de kroonlengte. De vrucht is een peervormige doos. In de winter blijft alleen een knop over met kleine broedknopjes aan de voet.

Gelijkende soorten

De verwarringssoort is groot vetblad (Pinguicula grandiflora). Die heeft een duidelijk grotere bloem: een kroon van 15 tot 20 mm, ongeveer even breed als lang, met brede, elkaar overlappende slippen zodat de bloem één ronde schijf lijkt, en met een dikke rechte spoor die minstens tweederde van de kroon haalt. Bij het vetblad staan de smalle slippen los van elkaar en is de spoor dun en korter dan de helft. De bladrozet van groot vetblad is doorgaans forser. Waar de twee elkaar in Ierland raken, ontstaat de natuurlijke hybride P. ×scullyi, met tussenmaten. In de bergen staat verder alpenvetblad (P. alpina) met een witte bloem met gele vlek en een kort, stomp spoortje, en in Iberië, West-Frankrijk en Ierland het kleine, bleeklila P. lusitanica. De verspreiding helpt mee: het vetblad heeft van deze soorten verreweg het ruimste en noordelijkste gebied.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval, en dat woord actief slaat op de rand van het blad. Op het bladoppervlak staan twee soorten klieren: gesteelde klieren met een kleefdruppel die de prooi vasthouden, en zittende klieren die pas verteringssap afscheiden als er werkelijk iets op ligt. Zit er een prooi vast, dan krult de bladrand in de loop van uren langzaam naar binnen, zodat het dier in een ondiep schaaltje vloeistof komt te liggen en het sap niet wegloopt. Zo snel als de venusvliegenval is dat niet, maar het is een echte beweging, en juist dat scheidt de vetbladen van de passieve lijmvallen als Byblis en Drosophyllum, waar niets beweegt. De vangst bestaat vooral uit kleine tweevleugeligen: muggen en vliegjes die op het glimmende blad landen.

Standplaats en ecologie

Natte, voedselarme en meestal kalkrijke grond: trilveen en laagveen, kwelplekken en beekoevers, natte duinvalleien, schrale natte graslanden en druipende rotswanden in het gebergte. Hij verdraagt geen concurrentie van hoog gras en verdwijnt zodra de bemesting toeneemt of het waterpeil wegzakt; begrazing en maaien houden de plek voor hem open. Van laagland tot in de subalpiene zone.

Verspreiding en hoogte

Circumboreaal, en daarmee de wijdst verbreide soort van deze gids: van IJsland, Groenland en Scandinavië door Noord- en Midden-Europa, over Rusland en Siberië tot in Canada en het noorden van de Verenigde Staten. Naar het zuiden reikt hij tot de Pyreneeën, de Alpen, de Karpaten en de noordwestelijke Balkan, waar hij tot de bergen beperkt blijft. Nederland en België liggen aan de westrand van dat gebied, en juist daar staat hij er het slechtst voor. De gevolgde bron geeft geen hoogtecijfers.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 673 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Voor een soort met zo'n groot gebied is de variatie klein: bleke en witbloemige planten komen voor, maar in Europa zijn nauwelijks variëteiten erkend. Wel is een deel van wat vroeger onder deze naam viel afgesplitst: de planten van de kusten van de Stille Oceaan in Azië en Noord-Amerika, met een dikkere kegelvormige spoor, gaan tegenwoordig meestal als een eigen soort. In Ierland en plaatselijk in Frankrijk kruist hij met groot vetblad tot P. ×scullyi, en die hybride is aan de tussenmaat van bloem en spoor te herkennen.

Waar en wanneer te zien

Mei tot juli, als de bloem er staat: de rozet valt tussen het mos weg, maar het violette bloempje op zijn dunne steel is van tien meter afstand te zien. Zoek in kalkmoerassen, op kwelhellingen langs bergbeken en in natte duinvalleien; in de Alpen en de Pyreneeën staat hij langs vrijwel elk bergpad waar water over de rots sijpelt. In Nederland moet je er niet op rekenen — daarvoor is Ierland, Noord-Engeland, Scandinavië of het gebergte de aangewezen plek. Ga op de knieën en kijk naar de bladrand: bij een blad dat net iets heeft gevangen, zie je hem omkrullen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet in gevaar volgens de Rode Lijst, want zijn gebied is enorm. Regionaal ligt dat volstrekt anders. In Nederland is hij vrijwel verdwenen: van de vroegere groeiplaatsen in duinvalleien en laagveenmoerassen is bijna niets over, en de oorzaken zijn ontwatering, verzuring en vooral de stikstof, die het gras laat groeien dat hem overwoekert. Ook in België, Noordwest-Duitsland en Engeland is hij sterk achteruitgegaan. Waar hij nog staat hangt hij aan beheer: kwelwater vasthouden, maaien of laten begrazen, en geen mest.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula vulgaris | Linnaeus, 1753

Linnaeus beschreef de soort in 1753 in Species Plantarum; de plant was al in 1583 door Carolus Clusius als blauwbloeiende soort onderscheiden, en Conrad Gesner had haar in 1561 al van haar naam voorzien. Geen precieze typelocatie opgegeven; de soort komt van nature voor in gematigde en arctische streken van Europa en Noord-Amerika. De geslachtsnaam Pinguicula komt van het Latijnse pinguis ('vet') en verwijst, zoals Gesner al opmerkte, naar de glimmende, vettig aanvoelende bladeren. De soortnaam vulgaris betekent 'gewoon, algemeen' en verwijst naar de wijde verspreiding van de soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.