Alle soorten › Lipbloemigen › Byblidaceae › Byblis pilbarana

Byblis pilbarana

Van alle vleesetende planten van Australië staat deze op de onwaarschijnlijkste plek. De Pilbara is een van de heetste streken ter wereld, met zomers die tegen de vijftig graden aan lopen en een neerslag van rond de driehonderd millimeter per jaar. Toch groeit daar een Byblis: Byblis pilbarana houdt zich staande in vochtige spleten aan de voet van de rotsheuvels die als eilanden boven de vlakte uitsteken. Het is de enige vleesetende plant die alleen in de Pilbara voorkomt, en tegelijk de slechtst gedocumenteerde soort van het geslacht — de beschrijving verscheen in 2014 in een boekwerk dat online niet te raadplegen is.

Byblis pilbarana
Foto: Hugo Innes https://www.inaturalist.org/people/hugo_innes — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Wat met zekerheid over de bouw te zeggen valt, is beperkt, en dat is hier geen nalatigheid maar de stand van de kennis. Het is een rechtopstaande plant met een voor het geslacht opvallend korte en dikke stengel, waardoor ze gedrongener oogt dan haar noordelijke verwanten. De bladeren zijn, als bij alle Byblis, draadvormig, rond tot elliptisch in doorsnede en over hun hele lengte bezet met gesteelde kleefklieren en daartussen kleinere zittende klieren; in fel licht kleurt het groen naar roodachtig. De vijf meeldraden staan naar één kant gebogen en de helmknoppen zijn lánger dan de helmdraden — dat is het enige bloemkenmerk dat uit toetsbare bron bekend is, en het plaatst de soort bij B. filifolia en B. rorida in plaats van bij de kleinbloemige B. liniflora. Betrouwbare maten voor plant, blad en bloem ontbreken in de toegankelijke literatuur, zodat die velden hier leeg blijven.

Gelijkende soorten

Binnen het gebied is er geen andere Byblis om mee te verwarren: dit is de enige soort van het geslacht in de Pilbara, en de dichtstbijzijnde verwanten staan honderden kilometers noordelijker. Op papier is de vergelijking lastiger. Byblis filifolia komt tot in de omgeving van Port Hedland en heeft eveneens helmknoppen langer dan de helmdraden; ze wordt echter veel groter en hoger en heeft geen korte, dikke stengel. Byblis rorida is te herkennen aan de lange klierborstels van 0,7 tot 1,5 mm op de kelkbladen. Het onderscheid van deze soort berust volgens haar beschrijver vooral op het zaad. Een vondst is daarom pas hard met foto's van plant, kelk en zaad erbij.

De val en hoe hij werkt

Een passieve lijmval, precies zoals bij de andere soorten van het geslacht. De gesteelde klieren dragen elk een heldere druppel; blad noch klier beweegt en er wordt geen prikkel verwerkt. Insecten die de druppels raken blijven vastzitten en raken bij het spartelen alleen meer kleefpunten. Het verteren is werk van de veel kleinere zittende klieren tussen de steeltjes, die enzymen afscheiden zodra er een prooi op ligt en daarna de vrijgekomen stikstof en fosfor opnemen. In deze omgeving is die strategie extra begrijpelijk: het gaat om dunne, uitgeloogde bodems in rotsspleten, waar stikstof en fosfor nauwelijks te halen zijn en waar juist wél veel insecten samenkomen bij het weinige water dat er is.

Standplaats en ecologie

Vochtige spleten en zomen langs de randen van inselbergs: geïsoleerde rotsheuvels die boven de halfwoestijnvlakte uitsteken en waar regenwater van het gesteente afloopt en in de voegen blijft hangen. Alleen op zulke plekken is er in een gebied met driehonderd millimeter neerslag lang genoeg vocht om een eenjarige vleesetende plant door haar groeiseizoen te helpen. De bodem is dun en zandig en droogt buiten het natte venster volledig uit. In de vaste codes: natte rotsbodem met sijpelwater (R1) in een seizoensdroog landschap (D4) op zand (D1).

Verspreiding en hoogte

De Pilbara in West-Australië, met de bekendste vindplaats op een inselberg ten zuiden van Port Hedland. Het herbarium noteert de soort daarnaast uit Dampierland en uit de Grote en de Kleine Zandwoestijn, zodat het verspreidingsbeeld ruimer is dan die ene heuvel, maar overal schaars. Daarmee is ze endemisch voor Australië en binnen Australië beperkt tot het droge noordwesten. Een betrouwbaar gedocumenteerde hoogtegrens is er niet; het hoogteveld blijft leeg.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 11 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Over wilde variatie is niets gepubliceerd, en met de handvol bekende vindplaatsen is dat ook niet te verwachten. De groenige bladeren kleuren bij veel licht roodachtig, maar dat is een reactie op de standplaats en geen vorm. Wat wel speelt, is de vraag of de soort als zodanig standhoudt: veldkenners die alle noordwestelijke populaties hebben bekeken, houden het voor mogelijk dat B. pilbarana samen met B. filifolia, B. rorida en B. guehoi één sterk variabele soort vormt. Dat is een hypothese; voorlopig wordt de soort in de Australische naamlijsten gewoon erkend. Variëteiten, kleurvormen en natuurlijke hybriden zijn niet beschreven.

Waar en wanneer te zien

De winter en de vroege lente van het zuidelijk halfrond, ruwweg juni tot september, zijn het enige begaanbare venster: de hitte is dan draaglijk en er zijn in augustus bloeiende planten gemeld. Zoek niet in de vlakte maar aan de voet en langs de randen van rotsheuvels, op de plekken waar afstromend water zich verzamelt. Houd er rekening mee dat het om zeer kleine groepen gaat — bij de best gedocumenteerde vindplaats werden twintig tot dertig planten geteld en nergens anders op die heuvel iets. Loop niet door de spleten zelf, want de hele populatie kan in een paar vierkante meter staan; noteer en fotografeer vanaf de rand.

Staat van instandhouding

De Rode Lijst voert de soort als niet in gevaar (Least Concern), en ook het West-Australische herbarium noteert haar als niet bedreigd; die beoordeling steunt op de herbariumvondsten uit meerdere regio's van het droge noordwesten. In het veld oogt het beeld krapper: de enige goed beschreven vindplaats telde enkele tientallen planten. De Pilbara is bovendien een mijnbouwlandschap, en de rotsheuvels waar de soort van afhankelijk is, zijn precies de plekken waar ijzererts wordt gewonnen. Veranderingen in de afstroming langs die randen en in het brandregime van het omringende spinifexland zijn de factoren om te volgen.

Wetenschappelijke naam

Byblis pilbarana | Lowrie & Conran, 2014

Beschreven door Allen Lowrie en John G. Conran in 2014. De soort werd ontdekt bij Port Hedland in West-Australië, met de eerste vondsten aan de noordoostrand van 'Red Rock', waar destijds 20 tot 30 planten werden aangetroffen. De soortnaam pilbarana verwijst naar de Pilbara-regio van West-Australië, waar de soort voorkomt.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.