Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula robertiana

Pinguicula robertiana

Een vetblad met grasachtige bladeren: Pinguicula robertiana vormt in de regentijd slappe, lijnvormige zomerbladeren die tot ruim twintig centimeter lang worden en als groene linten van de kalkrots hangen. De soort werd in 2018 beschreven uit de omgeving van Xilitla in San Luis Potosí, een streek van nevelwoud, grotten en kalkspleten aan de oostrand van de Sierra Madre Oriental.

Pinguicula robertiana
Foto: Jennifer L. Brandt — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

De winterrozet ligt bovengronds en is los van bouw, met 10 tot 20 dunne, spatelvormige blaadjes van 15 tot 50 mm lang en 3 tot 6 mm breed. In de zomerrozet gebeurt iets anders: dan verschijnen 6 tot 12(20) dunne, lijnvormige bladeren van 70 tot 230 mm lang en slechts 2 tot 5 mm breed — een bladvorm die aan gras of een kleine bieslook doet denken en in het geslacht ongewoon is. Er staan 1 tot 3 bloemstelen van 40 tot 70(100) mm. De bloem meet 15 tot 25 mm inclusief het spoor en is wit, soms met lila tekening; boven- en onderlip dragen slippen van 3 tot 6 mm, en het spoor is cilindrisch, groen en 3 tot 6(8) mm lang. Bloei van november tot maart.

Gelijkende soorten

De beschrijving zet de soort tegenover Pinguicula heterophylla. Twee kenmerken scheiden ze scherp. De winterrozet van P. robertiana ligt bovengronds en is los, terwijl die van P. heterophylla ondergronds zit en een compacte bolvorm heeft. En de zomerbladeren zijn hier van één type — lijnvormig — waar P. heterophylla drie verschillende bladtypen door elkaar vormt. Beide kenmerken zijn met het blote oog vast te stellen, mits je op het juiste moment van het jaar kijkt. Grootbloemige paarse soorten uit de streek vallen op kleur en spoorlengte meteen af.

De val en hoe hij werkt

De lange, smalle zomerbladeren vormen samen een vangoppervlak dat verrassend groot is, verdeeld over lange linten in plaats van brede schijven. Ze dragen het gebruikelijke tweeledige klierdek: gesteelde klieren met een kleefdruppel en zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra een prooi op het blad ligt, waarna de bladrand zich licht over de vangst rolt. De lintvorm heeft een voordeel op een verticale kalkwand: hangende bladeren laten water direct aflopen en blijven daardoor ook bij regen kleverig. De vangst bestaat in dit milieu uit dansmuggen en andere kleine tweevleugeligen die uit de grotten en spleten komen.

Standplaats en ecologie

Kalkrotsen en wanden van grotten en overhangen in het bosque mesófilo de montaña, tussen 1600 en 2000 m hoogte. De planten zitten in spleten en op richels van kalksteen (R2) waar water over de wand sijpelt of in de vorm van druipwater uit een overhang komt (R1), in de schaduw van het nevelbos (B1). De grotwanden van de Xilitla-streek zijn daarbij een bijzondere standplaats: net binnen de ingang van een grot is het permanent vochtig en gedempt licht, en daar kunnen planten groeien die buiten door concurrentie of droogte zouden verdwijnen. Dat de soort juist in de wintermaanden bloeit, past bij dat schaduwrijke, vochtige regime.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in de Mexicaanse staat San Luis Potosí, in de gemeente Xilitla aan de oostrand van de Sierra Madre Oriental — in overeenstemming met de opgave in onze soortenlijst. Het bekende areaal is klein en gebonden aan de kalkmassieven van die streek. De Huasteca Potosina, waarin Xilitla ligt, is een karstlandschap met talloze grotten, dolines en kalkwanden, waarvan er veel botanisch niet zijn onderzocht; bij een soort die pas in 2018 is beschreven en op zo'n specifieke standplaats groeit, zijn meer vindplaatsen in de omliggende karst goed denkbaar.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten in het wild beschreven. Opvallend is wel de enorme variatie in de lengte van de zomerbladeren, van zeven tot drieëntwintig centimeter — meer dan een verdrievoudiging binnen één soort. Die spreiding hangt vrijwel zeker samen met de standplaats: planten in een diepe, permanent natte grotspleet kunnen zich lange, dunne bladeren veroorloven, terwijl planten op een geëxponeerde richel kort blijven. Zulke verschillen zijn geen vormen maar fenotypische reactie. Natuurlijke hybriden zijn niet gemeld.

Waar en wanneer te zien

Ga tussen december en februari, midden in de bloeiperiode. Zoek de kalkwanden, grotingangen en overhangen op in het nevelwoud rond Xilitla tussen zestienhonderd en tweeduizend meter, en kijk juist net binnen de schaduwlijn van een overhang: dat is de zone waar deze soort thuishoort. De lange, hangende lintbladeren zijn van een afstand te herkennen en lijken niet op iets anders in het gebied. De witte bloemen staan op korte stelen vlak bij de rozet. Betreed grotingangen voorzichtig en laat de planten staan; de vegetatie op zulke wanden is uiterst kwetsbaar.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is, is beperkt: een in 2018 beschreven soort met een klein areaal in één gemeente, gebonden aan kalkwanden en grotingangen. Die standplaats is deels beschermd door haar ontoegankelijkheid, maar de Xilitla-streek is tegelijk een toeristische bestemming met sterk groeiende bezoekersaantallen bij precies de grotten en watervallen waar de soort kan staan. Daarnaast drukken kap en omzetting op het omringende nevelwoud, en is koffieteelt in deze streek wijdverbreid. Een categorie ontbreekt omdat de beoordeling nooit is gemaakt.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula robertiana | Zamudio & Hernández-Rendón, 2018

Beschreven door Sergio Zamudio en J. Hernández Rendón in 2018, in Phytoneuron 2018-14, op basis van materiaal dat op 11 maart 2014 werd verzameld. De typelocatie ligt in de Mexicaanse staat San Luis Potosí, gemeente Xilitla. De soortnaam is opgedragen aan Roberto Pedraza Ruiz, natuurfotograaf, die als eerste een van de populaties van deze nieuwe soort ontdekte.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.