Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula reichenbachiana
Pinguicula reichenbachiana
Achter de kust van Nice snijden de Vésubie en de Roya zich diep in het kalkgebergte. In die twee dalen, en in het aangrenzende Ligurië, groeit Pinguicula reichenbachiana — een vroegbloeiend vetblad met een opvallend lange spoor, dat een van de weinige Europese soorten is die een eigen regionaal actieplan heeft gekregen.

Herkenning
Een rozet waarvan de buitenste bladeren plat tegen het gesteente liggen en de binnenste iets opstaan; de bladranden zijn omgerold, wat de plant een geribbelde indruk geeft. In bloei wordt hij vijf tot vijftien centimeter hoog. De bloem is tweekleurig en tien tot vijftien millimeter in doorsnede, met een uitzonderlijk lange spoor die de soort onmiddellijk kenmerkt. De bloei valt vroeg — maart tot mei — en daarmee ruim voor die van alle Alpensoorten: als de bergweiden nog leeg zijn, staat deze plant aan de kloofwanden al volop in bloem. Daarna volgen langere zomerbladeren.
Gelijkende soorten
De soort hoort bij de groep rond Pinguicula longifolia, waar ook P. caussensis uit de Causses toe wordt gerekend; die staat honderden kilometers naar het westen, zodat verwarring in het veld niet speelt. In de Alpen zelf is het onderscheid met P. vulgaris en P. leptoceras simpel: die bloeien pas in juni tot augustus, staan hoger in de bergen en hebben een korte tot matig lange spoor. Een vetblad dat in maart op een kalkwand in de Roya bloeit, kan geen andere soort zijn.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval in een permanent vochtig, schaduwrijk milieu. Het blad draagt gesteelde klieren met een kleefdruppel en daartussen zittende klieren die pas verteringsenzymen leveren als er prooi op ligt. Op de laag gelegen standplaatsen, waar het al vroeg in het jaar warm wordt, komen muggen en vliegjes al in maart uit, precies wanneer de plant bloeit en groeit. De bladrand rolt zich over de prooi zodat het verteringsvocht in een ondiepe kom blijft staan — op een verticale kalkwand is dat onmisbaar. De kalk zelf levert de plant vrijwel niets.
Standplaats en ecologie
Natte, meestal noordgerichte kalkwanden in de kloven van de Vésubie en de Roya: druipende rotsen, tufafzettingen, de vochtige zone naast watervalletjes en bronnen. De standplaatsen liggen opvallend laag voor een 'Alpiene' soort, tussen ruwweg vierhonderd en achthonderd meter, dus in de gordel waar mediterrane en bergflora elkaar raken. De plant vormt daar een eigen vegetatietype samen met venushaar en andere vochtminnende soorten van druipende kalk; die combinatie is in de Franse literatuur als zelfstandige plantengemeenschap beschreven.
Verspreiding en hoogte
De zuidwestelijke Alpen: de dalen van de Vésubie en de Roya in het Franse departement Alpes-Maritimes, met aansluitende voorkomens aan de Italiaanse kant in Ligurië. Het areaal is klein en scherp begrensd; in Frankrijk is de soort zeer zeldzaam en beperkt tot deze twee dalen. Onze eigen soortenlijst noemt 'zuidwestelijke Alpen: Frankrijk en Italië', wat klopt, maar de hoogteligging is hier laag: dit is een plant van kloofwanden in de voorbergen, niet van het hooggebergte.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. De taxonomische geschiedenis is wel verwarrend: de plant is achtereenvolgens als zelfstandige soort, als ondersoort van P. longifolia en weer als soort behandeld, en in literatuur en databanken komen beide opvattingen naast elkaar voor. Binnen de populaties varieert vooral de plantgrootte, die van vijf tot vijftien centimeter loopt en samenhangt met de vochtigheid en de beschutting van de standplaats; de lange spoor is daarentegen constant en het betrouwbaarste kenmerk.
Waar en wanneer te zien
April is de maand. Zoek in de kloven van de Vésubie en de Roya op de natte, noordgerichte wanden, herkenbaar aan hun donkere glans en aan de varens die er in pollen bij groeien. Kijk vanaf het pad of de weg omhoog en gebruik een verrekijker — de rozetten hangen meestal ruim boven ooghoogte en de wanden zijn los en steil. De soort is in Frankrijk wettelijk beschermd in de regio en mag niet worden geplukt of uitgegraven; fotograferen en de vindplaats noteren is wat er te doen valt.
Staat van instandhouding
De soort staat als kwetsbaar op de Rode Lijst. De grond daarvoor is het zeer kleine areaal: twee dalen in Frankrijk plus aangrenzend Ligurisch gebied, met een beperkt aantal wanden waarop de plant staat. De populatie wordt als stabiel beschreven, en in de Franse regio Provence-Alpes-Côte d'Azur is de soort wettelijk beschermd, waarbij plukken en vernietigen verboden zijn; er is bovendien een regionaal actieplan voor de periode 2016-2026 opgesteld. De bedreigingen zijn wegaanleg en werkzaamheden aan de kloofwanden, waterwinning en veranderingen in de bronafvoer, en recreatiedruk van klimmen en canyoning. CITES is niet van toepassing.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula reichenbachiana | Schindler, 1908
Beschreven door Anton Karl Schindler in 1908. De soort komt voor in de Zeealpen, op de grens van Frankrijk en Italië. De naam eert een botanicus met de achternaam Reichenbach; welke van de verschillende botanici met die naam precies bedoeld wordt (mogelijk Heinrich Gottlieb Ludwig Reichenbach, die ook Pinguicula leptoceras beschreef, of diens zoon Heinrich Gustav Reichenbach), kon niet met zekerheid worden achterhaald.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.