Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula pumila
Pinguicula pumila
Het kleinste vetblad van Noord-Amerika is ook het gemakkelijkst te missen: een rozetje van twee tot drie centimeter, zo groot als een duimnagel, met daarboven een dun steeltje en een bloempje van amper een centimeter breed. Pinguicula pumila compenseert dat met aantallen en met kleur — in één populatie kunnen witte en violette bloemen door elkaar staan, en soms zelfs op dezelfde plant.


Herkenning
Een miniatuurrozet van ongeveer twee tot drie centimeter breed, met kleverige, bleekgroene bladeren die plat op de modderige of zandige bodem liggen. De bloemstelen zijn zeven tot twaalf centimeter hoog en dragen elk één bloem met uitgespreide slippen van samen ongeveer een centimeter. De keel is geel met een behaarde richel en roodachtige sapmerken, en achteraan zit een spoor. De bloemkleur wisselt sterk: wit en violet komen naast elkaar voor, zeldzaam is een helder gele vorm, en sommige witte bloemen verkleuren in de loop van hun leven naar violet. Elke bloem gaat rond tien of elf uur open en sluit in de late middag.
Gelijkende soorten
Alle andere vetbladen van het zuidoosten van de Verenigde Staten zijn aanzienlijk groter, zodat de maat alleen al meestal beslist. Waar deze soort samen staat met Pinguicula caerulea of P. lutea, is het verschil onmiddellijk duidelijk: die hebben rozetten van vijf tot vijftien centimeter en bloemen van enkele centimeters. Grotere verwarring dreigt met de kleine zonnedauw Drosera capillaris, die vaak vlak ernaast staat, maar die heeft gesteelde vangbladen met lange, rode tentakels in plaats van een egaal kleverig blad.
De val en hoe hij werkt
De val werkt zoals bij alle vetbladen, maar op miniatuurschaal: gesteelde klieren met een kleefdruppel en zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er een prooi op ligt. Met een vangoppervlak van hooguit een paar vierkante centimeter is de soort aangewezen op de allerkleinste insecten, en de rozet moet die in korte tijd binnenhalen — de plant leeft meestal maar één seizoen. Bestuiving is een aparte kwestie: de soort is zelfverenigbaar maar bestuift zichzelf nauwelijks spontaan, zodat vrije bestuiving de zaadzetting bepaalt.
Standplaats en ecologie
Zonnige tot licht beschaduwde, modderige, zandige of kalkhoudende plekken die in het natte seizoen onderlopen en later opdrogen. Kenmerkend is de voorkeur voor licht verstoord terrein: open dennenbos, greppels, oevers, bermen langs wegen en de tracés onder hoogspanningsleidingen. Vaste gezelschapssoorten zijn de kleine zonnedauw Drosera capillaris en het blaasjeskruid Utricularia subulata; plaatselijk staan er ook grotere vetbladen bij. De combinatie van jaarlijkse overstroming en zomerse droogte houdt de concurrentie kort, wat deze kleine plant precies de ruimte geeft die hij nodig heeft. De kalkhoudende, mergelige plekken die deze soort verdraagt, zijn binnen het gezelschap van zuurminnende vleesetende planten een uitzondering; het verklaart waarom hij verder zuidwaarts komt dan de andere vetbladen van de kustvlakte en ook op de kalkbodems van de Bahama's standhoudt.
Verspreiding en hoogte
Van de Bahama's tot Texas, met het zwaartepunt in Florida, waar de soort vrijwel overal voorkomt; daarnaast zijn er populaties in South Carolina en langs de Golfkust tot in Texas. Waarnemingen reiken tot in Palm Beach County in het zuiden van Florida. Het is daarmee de meest verspreide van de zuidoostelijke Amerikaanse vetbladen en de enige die ook op de Bahama's staat — reden waarom hij in deze gids niet als endeem van één gebied wordt gerekend.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
In het wild worden geen ondersoorten onderscheiden, maar de kleurvariatie is aanzienlijk. Witte en violette bloemen komen door elkaar voor, vaak op dezelfde groeiplaats en soms op dezelfde rozet; een heldergele vorm is in het verleden als variëteit buswellii onderscheiden en lijkt vooral in het zuidelijke schiereiland van Florida voor te komen. Vegetatieve vermeerdering is bij deze soort niet vastgesteld: alle vermeerdering verloopt via stofzaad, dat door wind, water en dieren wordt verspreid.
Waar en wanneer te zien
Ga laag bij de grond en zoek in de winter: dat is wanneer de soort bloeit en de enige periode waarin die bloempjes van een halve meter afstand opvallen. Bermen, greppelranden, open zandplekken en de rand van tijdelijke plassen zijn de meest kansrijke plekken. Plan het bezoek midden op de dag — de bloemen openen pas tegen het einde van de ochtend en sluiten weer in de late middag. Houd rekening met een kort leven: een rozet die je in maart ziet, is in de zomer meestal verdwenen.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is, geeft een relatief geruststellend beeld: het areaal is groot, de soort is in Florida wijdverspreid, en hij houdt van licht verstoord terrein zoals greppels en bermen, waardoor hij minder afhankelijk is van ongerepte savanne dan de meeste verwanten. Daar staat tegenover dat hij vrijwel jaarlijks afsterft en dus volledig van zaadzetting en bestuivers afhangt, en dat zijn standplaatsen — tijdelijk natte, open zandgrond — juist het eerst sneuvelen bij drainage en verstedelijking. Wie de soort wil helpen, doet dat het effectiefst door te pleiten voor het behoud van tijdelijk natte laagten en voor terughoudend maaibeheer langs wegen in het bloeiseizoen.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula pumila | Michaux, 1803
Beschreven door André Michaux in 1803, in Flora Boreali-Americana 1: 11. De soort komt voor in het zuidoosten van de Verenigde Staten, onder meer in Florida. De naam "pumila" is Latijn voor "dwergachtig, klein" en verwijst naar de geringe afmetingen van deze soort — een van de kleinste in het geslacht.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.