Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula benedicta

Pinguicula benedicta

Een klein, blauwbloemig vetblad dat groeit waar bijna geen plant het uithoudt: op de rode, ijzer- en nikkelrijke laterietgrond langs de snelstromende rivieren van oostelijk Cuba. Pinguicula benedicta werd in 1910 verzameld en pas tien jaar later beschreven, en de soort heeft sindsdien een reputatie van moeilijk te vinden. Wie in de Moa-Baracoa-streek langs het water loopt, ziet hem als een smalle band groene rozetten die de oever als een lijn volgt.

Pinguicula benedicta
Foto: Yoannis Domínguez — CC BY 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een compacte, vlakke rozet van vrij kleine, gaafrandige bladeren van 10 tot 15 mm lang en 5 tot 8 mm breed, dicht opeen geplaatst zodat de rozet een gesloten schijfje vormt. Het bladoppervlak is bezet met klierharen en glanst vochtig; de rand is licht opstaand. Uit het hart komen dunne, rechtopstaande bloemstelen met elk één bloem. De bloem is blauwachtig en duidelijk tweelippig: de bovenlip draagt twee afgeronde slippen, de onderlip is beduidend groter en drieslippig. Achteraan zit een cilindrisch spoor van 4 tot 6 mm dat nagenoeg haaks op de bloembuis staat — een kenmerk dat bij het determineren goed bruikbaar is, want veel verwante Caribische soorten hebben een spoor dat vloeiender in het verlengde van de buis ligt. De bloei loopt van september tot mei, met af en toe een enkele bloem in de zomer.

Gelijkende soorten

Op Cuba zijn het vooral de andere vetbladen van het oosten van het eiland waarmee verwarring dreigt: Pinguicula filifolia, met draadvormige bladeren en een heel andere rozetvorm, en Pinguicula albida, met een witte bloem. De blauwe bloemkleur in combinatie met het korte, haakse spoor en de dicht opeen staande, brede blaadjes is voor deze soort kenmerkend. Buiten de bloei is de standplaats zelf het beste kenmerk: een smalle strook op kale laterietgrond vlak boven het water van een riviertje in het ultramafische gebied, waar weinig andere vetbladen staan. Verwarring met de grote Mexicaanse soorten is uitgesloten; die staan duizenden kilometers verderop en zijn veel forser.

De val en hoe hij werkt

De bladeren werken als een langzaam werkende lijmval. Op de bovenzijde staan twee typen klieren door elkaar: gesteelde klieren die een heldere, kleverige druppel afscheiden, en zittende klieren die pas in actie komen als er iets op het blad ligt en dan verteringsenzymen afgeven. Kleine vliegjes die op de glans afkomen, raken vast; hun spartelen brengt meer klierdruppels in contact met het lichaam en zet tegelijk een trage groeireactie in gang waarbij de bladrand zich iets over de prooi heen buigt. In dit milieu is de vangst vooral klein en vliegend: muggen en andere tweevleugeligen die boven het stromende water zwermen. De opbrengst is voor deze plant niet zomaar een extraatje — op vrijwel zuivere laterietgrond is stikstof zo schaars dat de vangst een substantieel deel van de voeding levert.

Standplaats en ecologie

De soort staat op de steile, rotsige oevers van riviertjes in het ultramafische massief van Moa en Baracoa, onder meer langs de Río Jaguaní, in banden van ongeveer een meter breed die de waterlijn volgen. De bodem is bijna zuiver lateriet: het rode, uitgeloogde verweringsproduct van serpentijngesteente, rijk aan ijzer, chroom en nikkel en arm aan alles wat een plant nodig heeft. Zulke bodems zijn giftig voor de meeste soorten, en juist daardoor staat er nauwelijks concurrentie. Permanent vocht van het rivierwater en van de vrijwel dagelijkse buien houdt het klierdek werkzaam. Waar het lateriet overgaat in gewone bosgrond, houdt de soort op.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in oostelijk Cuba, in het Moa-Baracoa-gebied van de provincies Holguín en Guantánamo — een van de belangrijkste centra van plantenendemisme van het Caribisch gebied, met honderden soorten die nergens anders voorkomen. Hier is meteen een correctie op zijn plaats: in oudere overzichten en in sommige naamlijsten wordt deze soort met Hispaniola of zelfs met Mexico in verband gebracht, maar de moderne behandeling van het geslacht in de Grote Antillen en de gegevens bij Kew plaatsen hem ondubbelzinnig in oostelijk Cuba. Het verspreidingsgebied is klein en volledig gebonden aan het ultramafische gesteente; daarbuiten is de soort niet aangetroffen.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten of ondersoorten onderscheiden. Dat is bij een soort met zo'n klein areaal en zo'n eenvormige standplaats ook niet verwonderlijk: alle bekende populaties staan in hetzelfde geologische milieu, binnen een beperkte hoogtegordel en onder hetzelfde klimaat, zodat er weinig aanleiding is voor uiteenlopende vormen. Wat wisselt, is de grootte van de rozet — planten op de meest kale laterietplekken blijven kleiner dan die in een iets beschutter hoekje — en de intensiteit van het blauw in de bloem. Natuurlijke hybriden zijn niet beschreven; de andere Cubaanse vetbladen groeien in de regel op andere standplaatsen en bloeien deels in andere perioden.

Waar en wanneer te zien

De winterhelft van het jaar is het beste moment: tussen september en mei staat de soort in bloei en zijn de blauwe bloempjes van een afstand te zien als speldenknopjes boven het groen. Zoek langs de rivieroevers, niet in het bos: de planten vormen smalle stroken vlak boven de waterlijn op kale rode grond, en die band is vaak nauwelijks een meter breed. De rode kleur van de bodem is de beste zoekwijzer. Blijf op het pad en betreed de oeverbanden niet — de rozetten zitten los in een dunne laag verweringsmateriaal en worden door één voetstap over meters tegelijk vernield. Een verrekijker of een telelens is hier zinvoller dan dichterbij komen.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst, en ze staat ook niet in CITES. Wat wél bekend is, geeft wel degelijk aanleiding tot zorg. Het areaal is klein en volledig beperkt tot het ultramafische gebied van Moa en Baracoa, en juist dat gebied is in Cuba het belangrijkste winningsgebied van nikkel en kobalt: dagbouw, afgravingen en de bijbehorende wegen en stortplaatsen tasten precies de laterietbodems aan waarop de soort is aangewezen. Daarnaast zijn de oeverbanden gevoelig voor veranderingen in de waterstand en voor betreding. Dat er geen internationale categorie is toegekend, zegt in dit geval alleen dat er nooit een formele beoordeling is gemaakt — niet dat de soort veilig is.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula benedicta | Barnhart, 1920

Beschreven door John Hendley Barnhart in 1920, in Memoirs of the Torrey Botanical Club 16: 110, op basis van materiaal dat Shafer al in 1910 had verzameld. Het typegebied ligt in het oosten van Cuba, op het pad tussen Camp La Barga en Camp San Benito, in de botanisch zeer soortenrijke Moa-Baracoa-regio. De herkomst van de soortnaam benedicta (Latijn voor "gezegend") is niet met zekerheid overgeleverd.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.