Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula caryophyllacea

Pinguicula caryophyllacea

Een vetblad van de serpentijnbergen van oostelijk Cuba, pas in 2004 beschreven door Siegfried Casper. Het Nipe-Sagua-Baracoa-massief is een van de merkwaardigste plantengebieden van het Caribisch gebied: een landschap van zware, roodbruine, met zware metalen doortrokken bodems waarop een lage, harde vegetatie groeit die nergens anders voorkomt. Pinguicula caryophyllacea hoort daarbij, en verder nergens.

Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.

Herkenning

Een vlakke, kleine rozet van gaafrandige bladeren die dicht tegen natte steen of over een dunne laag mos liggen, met de bovenkant dicht bezet met gesteelde en zittende klieren en daardoor glanzend en kleverig. Het blad is groen, bij veel licht roodbruin aangelopen. Uit het hart komen dunne bloemstelen met elk één tweelippige bloem met een tweelobbige bovenlip, een drielobbige onderlip en een spoor aan de achterzijde; de soortnaam verwijst naar de anjerachtige indruk die de bloem maakt. Omdat de oorspronkelijke beschrijving in een gespecialiseerd tijdschrift staat en er weinig veldmateriaal is, zijn er voor deze gids geen maten opgenomen waarvan de bron voor de lezer te controleren is. De plant maakt geen winterknop: in een tropisch bergklimaat zonder vorst blijft hij het hele jaar in blad.

Gelijkende soorten

Op Cuba komen enkele andere vetbladen voor, alle in hetzelfde oostelijke massief en alle nauw verwant: Pinguicula benedicta, P. albida, P. moaensis en P. cubensis. De soorten laten zich in het veld vooral onderscheiden aan de bloem — lengte, kleur en vooral de vorm en lengte van de spoor — en dat vraagt om een goed exemplaar in bloei en, eerlijk gezegd, om de originele beschrijvingen naast elkaar. Buiten de bloei is vrijwel elk Cubaans vetblad op serpentijn een kleine groene rozet en is de plaats van vondst het bruikbaarste gegeven. Met het in 2007 beschreven P. toldensis is deze soort inmiddels samengevoegd: die naam geldt nu als synoniem.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval op een van de meest vijandige bodems die er bestaan. Serpentijn en lateriet bevatten weinig van wat een plant nodig heeft en veel van wat haar schaadt: nikkel, chroom en magnesium in hoge concentraties, en stikstof en fosfor in bijna niets. Vandaar dat vleeseterij hier zo aantrekkelijk is. Op het blad staan de gebruikelijke twee klierlagen: gesteelde klieren die een taaie druppel vasthouden, zittende klieren die verteringsenzymen afscheiden zodra er een insect op ligt. De bladrand rolt zich langzaam over de vangst, zodat het vocht blijft staan. Omdat het klimaat nat is en er nauwelijks een dode periode bestaat, vangt de plant vrijwel jaarrond — een langzaam, continu bedrijf in plaats van een korte piek.

Standplaats en ecologie

Natte, met mos begroeide rotsen en steile oevers op ultramafisch gesteente — serpentijn en het daarop gevormde rode lateriet — in het Nipe-Sagua-Baracoa-massief (R3). De plant groeit waar water over de steen loopt of langs een beekoever blijft sijpelen (R1), in de open, lage vegetatie die op deze bodems de plaats inneemt van bos. Het regent er veel en vaak; wolken hangen dagenlang in het bergland en houden de standplaatsen vochtig. Concurrentie is er nauwelijks, want maar weinig planten verdragen de bodemchemie.

Verspreiding en hoogte

De soort is endemisch voor het oosten van Cuba en is alleen bekend uit het Nipe-Sagua-Baracoa-bergland in de provincies Holguín en Guantánamo. Daarmee wijkt het beeld af van wat onze eigen soortenlijst vermeldt, die Colombia noemt: de naslagwerken plaatsen deze soort ondubbelzinnig in het Caribisch gebied en niet in Zuid-Amerika. Het areaal is klein, zelfs binnen Cuba: een paar bergruggen en riviersystemen, deels in beschermde gebieden. Van een gedetailleerde verspreidingskaart is geen sprake; de vondsten zijn verspreid over een handvol vindplaatsen.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. De vormvariatie die wel in het dossier zit, is taxonomisch: in 2007 werd vanuit hetzelfde bergland P. toldensis beschreven, die later niet van deze soort te onderscheiden bleek en nu als synoniem wordt gevoerd. Dat is in de Cubaanse vetbladen geen uitzondering — de soorten zijn onderling sterk gelijkend, de populaties zijn klein en van elkaar geïsoleerd, en de grenzen tussen de beschreven soorten zijn nog niet uitgekristalliseerd. Natuurlijke hybriden zijn niet beschreven, al groeien verschillende soorten in hetzelfde massief.

Waar en wanneer te zien

Dit is geen soort die je toevallig tegenkomt. Het Cubaanse serpentijnbergland is moeilijk begaanbaar en grotendeels beschermd; bezoeken gaat in de praktijk met toestemming en een lokale gids. Wie er komt, moet zoeken op de natte flanken van beekdalen, waar het water over kale rode steen loopt en een dunne mos- en levermoslaag ligt. Kijk laag en vlak bij het water. Vertrappen van deze kwelzones is het grootste risico dat een bezoeker zelf meebrengt, dus blijf op de rots en niet op het mos.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES; een internationale categorie ontbreekt. Wat bekend is, dwingt wel tot voorzichtigheid: het gaat om een endemische soort van een enkel bergmassief, bekend van weinig groeiplaatsen, in een landschap dat bovendien economisch interessant is. Het Nipe-Sagua-Baracoa-gebied is een van de grootste nikkelwingebieden ter wereld, en dagbouw vernietigt precies het soort ultramafische bodem waarop deze planten staan. Daarnaast spelen branden en de aanleg van wegen een rol. Dat er geen beoordeling ligt, zegt hier vooral iets over de toegankelijkheid van het gebied voor onderzoek.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula caryophyllacea | Casper, 2004

Beschreven door Siegfried Jost Casper in 2004, in het tijdschrift Wulfenia. Het typegebied ligt in het Nipe-Sagua-Baracoa-gebergte in het oosten van Cuba, waar de soort endemisch is. De soortnaam caryophyllacea is afgeleid van het geslacht Caryophyllus (anjer) en verwijst vermoedelijk naar een gelijkenis van de bloem of de bloemgeur met een anjer.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.