Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula olmeca

Pinguicula olmeca

Het laagst gelegen en natst groeiende vetblad van deze reeks: Pinguicula olmeca staat op achthonderd meter hoogte op kalkrotsen in het zuiden van Tabasco, in een streek waar meer dan 3200 millimeter regen per jaar valt en het het hele jaar warm blijft. Die uitzonderlijke standplaats heeft een uitzonderlijk gevolg: de soort kent geen winterrozet en groeit onafgebroken door. Genoemd naar de Olmeken, de oude cultuur van deze streek.

Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.

Herkenning

Een gelijkmatige rozet van 6 tot 8(16) bladeren van 20 tot 55 mm lang, met de gebruikelijke kleverige klierdruppels. Het opvallendste kenmerk van de soort is wat er ontbreekt: anders dan Pinguicula moranensis, P. zecheri en de andere leden van haar sectie heeft zij maar één bladtype door het hele jaar heen, zonder de vlezige, niet-vangende winterrozet die bij vrijwel alle Mexicaanse vetbladen hoort. De bloem is paars en heeft een buitengewoon lang spoor: 40 tot 60 millimeter, bijna even lang als de bloemsteel zelf. Dat spoor maakt de bloem uit de verte onmiskenbaar — een paarse kelk met een dunne, rechte staart die er ver achter uitsteekt. Bloeitijd augustus tot november.

Gelijkende soorten

Binnen de grootbloemige, langgespoorde Mexicaanse soorten is de spoorlengte hier doorslaggevend: veertig tot zestig millimeter is zelfs voor deze groep uitzonderlijk. Belangrijker nog is de combinatie met het ontbreken van een winterrozet, wat een plant in de droge maanden van december tot maart meteen verraadt: staat de plant dan nog met vangbladen te groeien, dan is het geen P. moranensis. Ook de standplaats helpt: deze soort staat op achthonderd meter in de warme Golfkustzone, terwijl de meeste verwanten pas boven de vijftienhonderd meter beginnen. Verwarring is in de praktijk dus onwaarschijnlijk.

De val en hoe hij werkt

De vangbladen zijn permanent in bedrijf, en dat is het interessante aan deze soort. Gesteelde klieren dragen een heldere, kleverige druppel; zittende klieren daartussen geven verteringsenzymen af zodra een prooi op het blad ligt, waarna de bladrand zich langzaam over de vangst buigt. Omdat er geen rustperiode is, vangt de plant het hele jaar door — mogelijk in een regenwoud met meer dan drie meter neerslag per jaar en een vrijwel gelijkblijvende temperatuur. Het langste spoor van de reeks heeft overigens niets met vangen te maken: dat is er voor de bestuiving, en wijst op bestuivers met een zeer lange tong, zoals zwermvlinders of kolibries.

Standplaats en ecologie

Rotsige kalkontsluitingen in de overgangszone tussen bergnevelwoud en tropisch regenwoud, op 800 tot 865 m hoogte. De planten zitten op permanent vochtige kalkwanden (R2, R1) in gezelschap van orchideeën, begonia's en varens, onder de invloed van een halfwarm klimaat met het hele jaar door regen en meer dan 3200 mm neerslag per jaar (B2). Juist die gelijkmatigheid verklaart de bouw van de plant: waar geen droog seizoen is en de temperatuur nauwelijks schommelt, is een beschermend winterknopje overbodig, en kan een vetblad zich permanent kleverige, kwetsbare bladeren veroorloven.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in de Mexicaanse staat Tabasco, in het Ejido Villa de Guadalupe in de gemeente Huimanguillo — het zuidelijke, heuvelachtige deel van de staat waar de laatste resten van vochtig bos liggen. Dat komt overeen met de opgave in onze soortenlijst. Het bekende areaal is uiterst klein en lijkt beperkt tot enkele kalkontsluitingen binnen die ene gemeente. Tabasco is voor het overige een vlakke, sterk ontgonnen staat met weinig geschikt habitat, zodat een ruimere verspreiding niet waarschijnlijk is; wel is de aangrenzende bergzone van noordelijk Chiapas botanisch nog onvoldoende doorzocht.

  • Inheems
Verspreiding per regio van het TDWG-schema (World Geographical Scheme for Recording Plant Distributions), uit de World Checklist of Vascular Plants — de gegevensbasis achter Plants of the World Online. De kaart toont alleen het natuurlijke areaal; waar de soort is ingeburgerd staat in de tekst. Binnen een regio zegt de kaart niets over waar de plant precies staat; bij bedreigde soorten is dat ook de bedoeling. Contouren: tdwg/wgsrpd. Voor deze soort zijn nog geen GBIF-waarnemingen opgehaald; zodra dat gebeurt vervangt die precisere laag deze regio-kaart.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten in het wild beschreven, wat bij een soort die van enkele rotsen in één gemeente bekend is, vanzelf spreekt. De variatie die in de beschrijving is vastgelegd, zit vooral in het aantal bladeren per rozet, dat van zes tot zestien loopt, en in de lengte van het spoor (veertig tot zestig millimeter). Beide zullen samenhangen met de groeiomstandigheden per rotsplek — lichtinval, watertoevoer, dikte van de mosmat. Het ontbreken van een winterrozet is een soortkenmerk en geen vorm. Natuurlijke hybriden zijn niet gemeld; er groeien geen nauw verwante soorten in de buurt.

Waar en wanneer te zien

Ga tussen augustus en november, wanneer de soort bloeit; in deze streek regent het dan zwaar, maar de planten zijn op hun best. Zoek de kalkontsluitingen in het zuiden van Huimanguillo op en kijk naar de verticale, permanent natte wanden met orchideeën, begonia's en varens — dat plantengezelschap is de beste zoekwijzer. De paarse bloem met zijn vijf centimeter lange spoor is uit de verte herkenbaar. Neem regenkleding en beschermende bagage mee; het klimaat is hier vochtig en warm en materiaal beslaat direct. Laat de planten staan en betreed de wanden niet.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is, is het profiel van een zeer kwetsbare soort: in 2018 beschreven, beperkt tot enkele kalkrotsen binnen één gemeente in een staat waarvan het oorspronkelijke bos grotendeels is verdwenen. Tabasco is sterk ontgonnen ten behoeve van veeteelt, oliepalm en aardolie-infrastructuur, en juist de laatste resten vochtig bos op de kalkheuvels in het zuiden staan onder druk. Kalksteen wordt bovendien gewonnen. Een soort met een zo klein areaal en een zo specifieke standplaats zou bij toetsing vrijwel zeker in een bedreigde categorie vallen; dat die toetsing ontbreekt, is een leemte in het dossier.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula olmeca | Zamudio, Burelo & Gonz.-Aguilar, 2018

Beschreven door Sergio Zamudio, C.M. Burelo-Ramos en L. González-Aguilar in 2018, in Botanical Sciences 96(2): 359–365, op basis van materiaal (C.M. Burelo-Ramos 530) dat op 10 juli 2016 werd verzameld. De typelocatie ligt bij Ejido Villa de Guadalupe, gemeente Huimanguillo, in de Mexicaanse staat Tabasco, op 800 meter hoogte, op een kalkrotsachtige plek in de overgangszone tussen nevelwoud en tropisch altijdgroen bos. De naam verwijst naar de Olmeekse cultuur, beschouwd als de "moedercultuur" van Mesoamerika, die haar religieuze en culturele centrum had in La Venta, in dezelfde gemeente Huimanguillo waar de soort werd ontdekt.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.