Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula nivalis

Pinguicula nivalis

Een witbloeiend vetblad van een gipsheuvel in het zuiden van Nuevo León, in 2004 in het veld gevonden en twee jaar later beschreven. De naam verwijst naar de sneeuwwitte bloem en naar de verblindend witte gipsgrond waarop de soort groeit: een helling die er van een afstand uitziet alsof er sneeuw ligt. Pinguicula nivalis hoort bij de kleine gipsbewonende vetbladen van Noordoost-Mexico, een groepje soorten dat in een extreem milieu leeft.

Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.

Herkenning

Voor de maten van rozet, blad en bloemsteel hebben wij geen toetsbare opgave uit de oorspronkelijke beschrijving kunnen achterhalen; die velden zijn daarom in de feitenkaart leeg gelaten. Wat wel is vastgelegd, zijn de bloemkenmerken waarop de soort is onderscheiden. De bloem is wit, met een gele vlek in de keel die omgeven wordt door opvallend lange, talrijke witte haren — bij de nauw verwante Pinguicula immaculata zijn die haren korter en schaarser. Het spoor is bij P. nivalis korter en dikker dan bij die soort. Verder gedraagt de plant zich als een typisch Mexicaans vetblad met twee gedaanten: niet-vangende, vlezige blaadjes in de droge winterrust, en dunne kleverige vangbladen in het groeiseizoen.

Gelijkende soorten

De vergelijking loopt binnen een klein gezelschap: de sectie Microphyllum, waartoe naast deze soort ook Pinguicula immaculata en P. gracilis behoren, alle drie kleine, witbloemige gipsbewoners uit Noordoost-Mexico. P. immaculata is de directe tegenhanger; het onderscheid zit in de keelbeharing (langer en talrijker bij P. nivalis) en in het spoor (korter en dikker). Dat zijn fijne kenmerken die om een goede foto van voren én van opzij vragen. De grote paarsbloemige vetbladen van de Sierra Madre Oriental zijn van deze groep op afstand te onderscheiden.

De val en hoe hij werkt

De kleverige zomerbladeren vormen een lijmval van het gebruikelijke bouwplan: gesteelde klieren met een heldere druppel, zittende klieren die pas bij contact met een prooi enzymen loslaten, en een bladrand die zich traag over de vangst buigt. In een gipslandschap is dit een uitgekiende oplossing voor een reëel probleem. Gips levert calcium en sulfaat in overmaat, maar vrijwel geen stikstof en fosfor, en planten die er groeien moeten die elders vandaan halen. Voor een vetblad betekent dat: uit de insecten. De vangst bestaat er vooral uit de kleine, stoffige vliegjes en mieren die over de open gipsgrond bewegen.

Standplaats en ecologie

Een helling van vrijwel zuiver gips op ongeveer 1425 m hoogte, op de noord geëxponeerde zijde — precies de kant die de minste zon en daarmee de meeste restvochtigheid krijgt. De vegetatie is open en laag; gipsbodems zijn hard, wit en voedselarm en dragen een eigen, sterk gespecialiseerde flora waarin veel soorten nergens anders voorkomen. Het regime is uitgesproken seizoensgebonden (D4): in de zomermaanden valt de regen en groeit de plant, daarna droogt de helling maandenlang volledig uit en trekt zij zich terug in vlezige, niet-vangende blaadjes. Kalksteen speelt hier geen rol; het gaat om gips, een heel ander gesteente met een heel andere chemie.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in Mexico, in het zuiden van de staat Nuevo León, bij Zaragoza — in overeenstemming met de opgave in onze soortenlijst. De soort wordt beschreven als gipsbewonende endeem van dat gebied. De gipsafzettingen van Noordoost-Mexico liggen als eilanden verspreid in het landschap, en elk eiland kan zijn eigen soorten hebben; dat verklaart waarom er in deze streek in korte tijd verscheidene nieuwe vetbladen zijn beschreven. Het areaal van deze soort is voor zover bekend beperkt tot een of enkele van die gipsheuvels.

  • Inheems
Verspreiding per regio van het TDWG-schema (World Geographical Scheme for Recording Plant Distributions), uit de World Checklist of Vascular Plants — de gegevensbasis achter Plants of the World Online. De kaart toont alleen het natuurlijke areaal; waar de soort is ingeburgerd staat in de tekst. Binnen een regio zegt de kaart niets over waar de plant precies staat; bij bedreigde soorten is dat ook de bedoeling. Contouren: tdwg/wgsrpd. Voor deze soort zijn nog geen GBIF-waarnemingen opgehaald; zodra dat gebeurt vervangt die precisere laag deze regio-kaart.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten in het wild beschreven. Bij een soort die alleen van een of enkele gipsheuvels bekend is, ontbreekt daarvoor de basis: het milieu is over het hele areaal gelijk en er zijn geen gescheiden populaties in afwijkende omstandigheden om mee te vergelijken. De variatie die er is, betreft vooral de grootte van de planten — op de meest kale, zonbeschenen gipsplekken blijven ze kleiner — en de omvang van de gele keelvlek. Natuurlijke hybriden zijn niet gemeld; de verwante gipsbewonende soorten groeien op eigen, van elkaar gescheiden gipseilanden.

Waar en wanneer te zien

Zoek in de zomermaanden, wanneer de regen is gevallen en de planten hun vangbladen hebben; in de droge tijd is er van de rozet bijna niets over. Ga naar de noordhellingen van gipsheuvels: de zuidkant is te heet en te droog. Op de witte, harde gipsgrond vallen de groene rozetjes juist goed op — dit is een van de weinige Mexicaanse vetbladen die makkelijker te zien zijn dan te bereiken. Het oppervlak van een gipshelling is bros en de korst breekt onder een voetstap; blijf op de vaste paden of de rand van de helling. Fotografeer de bloem van voren én van opzij, want juist keelbeharing en spoorvorm bepalen de determinatie.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is, past in het patroon van de gipsbewonende vetbladen van Noordoost-Mexico: een klein, geïsoleerd areaal op een bijzonder bodemtype, populaties die in oppervlakte beperkt zijn, en een soort die pas in deze eeuw is beschreven. Gipsafzettingen worden in Mexico op vrij grote schaal gewonnen voor de bouw, en een gipsheuvel die in productie wordt genomen, verdwijnt in zijn geheel. Daarnaast zijn witbloemige Mexicaanse vetbladen gewild bij verzamelaars, en de vindplaats ligt in een goed bereikbaar deel van Nuevo León. Er is geen categorie omdat niemand de beoordeling heeft gemaakt, niet omdat er niets te beoordelen valt.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula nivalis | Luhrs & Lampard, 2006

Beschreven door Holger Lührs en John Lampard in 2006, in Carnivorous Plant Newsletter 35(1): 4–9. Alfred Lau had de plant al in 1998 op een ICPS-conferentie genoemd, toen nog vermoed als een populatie van P. immaculata; een veldexpeditie in 2004 door Fernando Rivadavia en collega's bevestigde dat het om een eigen soort ging. De typelocatie ligt in een kloof nabij Zaragoza, in de Mexicaanse staat Nuevo León, op ongeveer 1425 meter hoogte, op een gipshelling. De naam "nivalis" is Latijn voor "met sneeuw samenhangend"; wat de naamgevers er precies mee bedoelden, kon niet met zekerheid worden achterhaald — mogelijk verwijst het naar de winterrozet van vlezige bladeren of naar de relatief hoge, koelere vindplaats.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.