Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula lignicola

Pinguicula lignicola

Vetbladen zijn planten van natte grond en druipende rotsen — op één uitzondering na, en dit is er een van. Pinguicula lignicola groeit niet op de bodem maar op bast: een echte epifyt, vastgehecht aan stammen en takken van bomen en struiken in het bergland van Oost-Cuba, onder meer op Cubaanse den. Van de honderd-en-zoveel vetbladen ter wereld zijn er maar twee die dat doen, en de andere staat op Hispaniola.

Pinguicula lignicola
Foto: Alexis Felipe — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een kleine, tere rozet die plat tegen de bast ligt, met dunne, lichtgroene bladeren die aan de bovenkant glinsteren van de klierdruppels. De plant is niet met wortels in het hout verankerd zoals een boom in de grond, maar hangt aan een krans van worteltjes en wortelharen die zich aan de ruwe schors vastzetten. Omdat de rozet zo klein en vlak is, valt hij op een bemoste stam gemakkelijk weg tussen levermossen en kleine varens. De bloemstelen zijn dun en dragen elk één bloem. Zoek bij twijfel naar het glanzende, nat lijkende oppervlak van het blad — mos glimt anders dan een klierdek. Bloei en vrucht zijn bij deze soort minder belangrijk dan gewoonlijk, want de voortplanting verloopt langs een andere weg dan bij vrijwel alle verwanten: wat uit de kelk valt, is geen zaad maar al een klein plantje.

Gelijkende soorten

Op dezelfde stammen staan levermossen, kleine varens en epifytische orchideeën; van die alle is de vetbladrozet te onderscheiden door het vettige, druppelige bladoppervlak en de gaafrandige, ongedeelde bladeren. Het enige andere epifytische vetblad, Pinguicula casabitoana, groeit op Hispaniola en overlapt niet in areaal, zodat een epifytische Pinguicula op Cuba per definitie deze soort is. Verwarring met grondbewonende Cubaanse vetbladen als P. jaraguana of P. moaensis ontstaat alleen als je niet let op waar de plant zit: die staan op natte rots of in beekoevers, nooit op een stam.

De val en hoe hij werkt

Het vangapparaat is dat van een gewoon vetblad — steelklieren met een kleefdruppel, zittende klieren die enzymen afgeven — maar het werkt hier in een heel ander waterhuishouden. Een epifyt heeft geen bodemvocht; hij leeft van wat wolken en regen brengen, en die leveren nog minder minerale voeding dan een arme bosbodem. Precies daarom is het vangen van insecten hier geen luxe maar de hoofdbron van stikstof en fosfor. De rozet vangt wat er op bast rondloopt en -vliegt: springstaarten, mijten, kleine vliegjes en muggen die in de permanent vochtige stamlaag leven.

Standplaats en ecologie

De soort houdt van bast die vrijwel altijd nat is: microhabitats met permanent hoge luchtvochtigheid en regelmatige bevochtiging door wolken en regen. Etiketten van oud materiaal spreken eenvoudig van 'op takken van bomen', en van standplaatsen langs beekjes, waar de lucht tussen de oevers blijft hangen. Het gaat om het ultramafische bergland van Oost-Cuba, waar dennenbos en laagblijvend struikgewas op serpentijnbodem elkaar afwisselen en de bomen laag en ruwschorsig blijven — precies het soort stam waar zo'n rozet houvast vindt. Waar de rozetten precies zitten, wordt bepaald door de schors: een ruwe, licht groevige bast houdt vocht vast en biedt aanhechting, terwijl gladde, afschilferende stammen te weinig houvast geven. Ook de stand ten opzichte van de heersende wind telt, want de kant waar de wolken tegenaan slaan blijft het langst nat.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Cuba en beperkt tot het oosten: de provincies Guantánamo en Holguín, met vondsten bij Minas de Iberia en Yateras bij Baracoa, op El Toldo en in de omgeving van Moa. Een etiket uit 1914 bij Minas de Iberia noemt achthonderd meter; andere vondsten liggen lager. Het gaat om een klein, versnipperd areaal in een van de botanisch rijkste en tegelijk meest bedreigde hoeken van het Caribisch gebied, waar mijnbouw op nikkelhoudende serpentijnbodem en bosverandering de landschappelijke hoofdrol spelen.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen ondersoorten of variëteiten in het wild onderscheiden. Wat wel opvalt, is hoe sterk de plant zich naar zijn drager voegt: op grove, diep gegroefde schors zitten de rozetten dieper weggedoken en blijven ze kleiner dan op gladde, jonge takken. De meest bijzondere eigenschap is geen vorm maar een voortplantingswijze: bij deze soort is echte viviparie vastgesteld. Wat de plant loslaat zijn geen zaden maar kiemplanten, gevormd binnen de kelk, die zich met een gesloten ring van wortelharen aan de bast hechten — bij Pinguicula voor het eerst beschreven en gedeeld met de epifyt van Hispaniola.

Waar en wanneer te zien

Kijk omhoog in plaats van omlaag. Zoek langs beekdalen in het bergland, op de vochtige noordkant van stammen en op laaghangende takken, en let op plekken waar mos en levermos al aangeven dat de bast zelden opdroogt. Na regen of in ochtendnevel is de kans op herkenning het grootst, want dan glanst het klierdek. Een verrekijker is geen overbodige luxe: veel rozetten zitten boven ooghoogte. Houd er rekening mee dat de beste gebieden in beschermde bergreservaten liggen.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is: het gaat om een Cubaanse endeem met een klein aantal vindplaatsen in het oosten van het eiland, die bovendien volledig afhankelijk is van gastbomen in een permanent vochtige boslaag. Dat maakt hem gevoelig voor precies die veranderingen die in dit gebied spelen — kap, mijnbouw op de nikkelrijke serpentijnbodems en een droger wordend klimaat dat de wolkenbevochtiging vermindert. Zonder mondiale beoordeling ontbreekt een formele categorie; het ontbreken ervan is hier geen geruststelling maar een leemte.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula lignicola | Barnhart, 1920

Beschreven door John Hendley Barnhart (in Nathaniel Lord Britton, 1920), in Memoirs of the Torrey Botanical Club 16(2): 110, op basis van een exemplaar dat J.A. Shafer op 23 februari 1910 verzamelde (verzamelnummer 4031). De typelocatie is de omgeving van Camp San Benito, in wat destijds de provincie Oriente heette (tegenwoordig Holguín), Cuba, waar de plant epifytisch op boomtakken groeide. De naam komt van het Latijn lignum (hout) en -cola (bewoner van), en verwijst naar de epifytische groeiwijze van deze soort op boomtakken.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.