Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula casabitoana

Pinguicula casabitoana

Hispaniola heeft precies één vetblad, en het is meteen een van de vreemdste ter wereld. Pinguicula casabitoana groeit niet op de grond maar op bomen: een echte epifyt van de nevelwouden van de Cordillera Central in de Dominicaanse Republiek. Samen met een Cubaanse soort vormt hij het enige paar epifytische vetbladen van de wereld, en bij allebei is een voortplantingswijze vastgesteld die in het geslacht nergens anders voorkomt.

Pinguicula casabitoana
Foto: Marcos Rodríguez Bobadilla — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine rozet van gaafrandige, vlezige bladeren die plat tegen de bast van een stam of tak ligt, met een klierdek dat het blad nat laat lijken. De plant zit niet in de grond maar hecht zich met worteltjes en wortelharen aan de schors. Uit het hart komen dunne bloemstelen met elk één tweelippige, gespoorde bloem. In een nevelwoud, waar elke stam onder de mossen, varens en orchideeën zit, moet je gericht zoeken: het vettige, glanzende oppervlak van het blad is wat de plant verraadt. Omdat de plant op bast leeft, staat de rozet zelden horizontaal maar tegen een schuine of verticale ondergrond, wat het vangen van prooi net iets anders maakt dan bij een grondbewoner. Bloemstelen zijn kort en houden de bloem dicht bij de stam.

Gelijkende soorten

Op Hispaniola is er geen ander vetblad, dus wie er een rozet met glanzend, kleverig blad op een stam vindt, heeft deze soort. Het risico zit in de buren op dezelfde bast: kleine varens, levermossen en jonge epifytische orchideeën lijken op afstand sterk op een vetbladrozet. Kijk naar het oppervlak en naar de bladrand — gaafrandig, vlezig, en bezet met heldere druppeltjes die in het licht oplichten. De enige andere epifytische Pinguicula ter wereld leeft op Cuba en overlapt niet.

De val en hoe hij werkt

Het klierdek werkt als bij elk vetblad: gesteelde klieren met een kleefdruppel, zittende klieren met verteringsenzymen, en een bladhuid die het verteerde weer opneemt. Op bast is dat de enige manier om aan minerale voeding te komen, want een epifyt heeft geen bodem. Het microhabitat wordt gekenmerkt door permanent hoge luchtvochtigheid en regelmatige bevochtiging door wolken en regen, waardoor de kleefdruppels nooit indrogen. De vangst bestaat uit de kleine fauna van de stamlaag: springstaarten, mijten, muggen en vliegjes.

Standplaats en ecologie

Nevelwoud in het middelgebergte van de Cordillera Central: bossen waar de wolken dagelijks tegen de hellingen aanlopen en de bast van de bomen zelden opdroogt. Vindplaatsen liggen in en rond beschermde gebieden als het wetenschappelijk reservaat Ébano Verde en Loma Barbacoa, en in de omgeving van Jarabacoa en Constanza. Dat zijn precies de hoogtezones waar het eiland zijn eigen wolkenklimaat heeft; buiten die zone ontbreekt de permanente vochtigheid die deze levenswijze mogelijk maakt.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Hispaniola en binnen dat eiland beperkt tot de Dominicaanse Republiek, met het zwaartepunt in de provincie La Vega — Jarabacoa, Constanza en het Ébano Verde-reservaat — en daarnaast een vondst in de provincie San Cristóbal op Loma Barbacoa. Daarmee is het de enige Pinguicula van het hele eiland, en meteen de enige vertegenwoordiger van het geslacht tussen Cuba en het vasteland van Zuid-Amerika. Dat één eiland maar één vetblad heeft, terwijl het naburige Cuba er vijftien telt, hoort tot de onopgeloste vragen van de Caribische plantengeografie.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 3 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen ondersoorten of variëteiten in het wild onderscheiden. Het meest bijzondere aan deze soort is geen vorm maar een voortplantingswijze: bij hem en bij het Cubaanse epifytische vetblad is echte viviparie vastgesteld. Wat de plant loslaat zijn geen zaden maar kiemplanten, gevormd binnen de kelk, waarbij de zaadlobben in de zaadhuid blijven — de eerste waarneming van dat kiemingstype in het geslacht. De jonge plant hecht zich met een gesloten ring van wortelharen aan de bast, zonder eerst een echte wortel te vormen. Die levenswijze heeft een duidelijke logica: een stofzaadje dat van een tak valt, heeft weinig kans om op geschikte bast terecht te komen, terwijl een kant-en-klaar kiemplantje dat zich onmiddellijk kan vasthechten, dat wél heeft.

Waar en wanneer te zien

Kijk omhoog. Zoek in nevelwoud op de vochtigste hellingen, op de noord- en oostzijde van stammen en op laaghangende takken, en gebruik de mossen en levermossen als wegwijzer: waar die dik op de bast liggen, blijft de schors nat. Een verrekijker is nuttig, want veel rozetten zitten boven ooghoogte. Ga bij voorkeur in of vlak na de mist, wanneer het klierdek maximaal glanst. De meeste vindplaatsen liggen in beschermde reservaten; regel toegang vooraf en laat de bast met rust.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is: het is de enige Pinguicula van Hispaniola, met een klein aantal bekende vindplaatsen in het nevelwoud van de Cordillera Central, volledig afhankelijk van gastbomen en van een permanent vochtige boslaag. Bij zo'n levenswijze zijn kap, bosversnippering en een stijgende wolkenbasis in een warmer klimaat de voornaamste risico's. Dat een deel van de vindplaatsen binnen wetenschappelijke reservaten ligt, is het gunstigste dat over dit dossier te zeggen valt.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula casabitoana | Jiménez Almonte, 1960

Beschreven door José de Jesús Jiménez Almonte in 1960. De soort is bekend van enkele vindplaatsen in de Cordillera Central van de Dominicaanse Republiek. De soortnaam casabitoana verwijst naar de Loma Casabito, een berg in de Cordillera Central van de Dominicaanse Republiek.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.