Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula caussensis
Pinguicula caussensis
De Causses in Zuid-Frankrijk zijn dorre kalkplateaus die door de Tarn en de Jonte in diepe kloven zijn doorsneden. Op de natte, noordgerichte wanden van die kloven groeit Pinguicula caussensis, in het Frans de grassette des Causses — een plant die tot 2016 als ondersoort van het langbladig vetblad werd gevoerd.

Herkenning
Een rozet van geelgroene, langwerpige bladeren met een glinsterend klierdek dat vettig aanvoelt; de bladrand is naar boven omgekruld, en op een verticale wand hangen de bladeren schuin of bijna loodrecht. Uit het hart komen kale bloemstelen met elk één tweelippige bloem met een violette kroon, een lichtere keel en de lange, slanke spoor die kenmerkend is voor de groep rond het langbladig vetblad. Betrouwbare maten voor plant, kroon en spoor konden voor deze gids niet in een toetsbare bron worden gevonden en zijn daarom niet opgegeven. De plant bloeit in het voorjaar en maakt daarna langere zomerbladeren.
Gelijkende soorten
De soort hoort bij Pinguicula longifolia in ruime zin en werd tot voor kort als ondersoort daarvan behandeld; de typische P. longifolia staat in de Pyreneeën, honderden kilometers naar het zuidwesten, zodat verwarring in het veld niet speelt. Verder naar het oosten, in de zuidwestelijke Alpen, staat P. reichenbachiana op vergelijkbare natte kalkwanden. In de Causses zelf is er geen tweede vetblad om mee te verwarren: een rozet met kleverige bladeren op een druipende kloofwand in de Gorges du Tarn of de Gorges de la Jonte is deze soort.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval op een permanent natte kalkwand. Het blad draagt gesteelde klieren met een heldere kleefdruppel en daartussen zittende klieren die pas verteringsenzymen leveren als er een prooi op ligt. In de koele, vochtige lucht van een diepe kloof zijn muggen en vliegjes het hele seizoen aanwezig, en die vormen het grootste deel van de vangst. Na een vangst rolt de bladrand zich er langzaam overheen zodat het verteringsvocht niet van de wand af loopt. De kalkrots levert vrijwel geen stikstof, dus wat de plant aan groei en bloei besteedt komt vrijwel volledig uit deze insecten.
Standplaats en ecologie
Druipende, noordgerichte kalkwanden in kloven en gorges, waar water dat door het plateau is gezakt weer aan de wand tevoorschijn komt. De plant wortelt in spleten en in mospolsters op het gesteente, vaak in overhangende of diep beschaduwde delen waar de zon nooit rechtstreeks komt. Boven op de Causses is het landschap kurkdroog en van steppeachtige schraalheid; de kloven daaronder zijn koel en vochtig, en juist dat contrast maakt de standplaats mogelijk. Droogvallen of vrijkomen na het weghalen van beschaduwing betekent het einde van een populatie.
Verspreiding en hoogte
De kalkplateaus van de Causses en de kloven van de Tarn en de Jonte in Zuid-Frankrijk, in de departementen Lozère en Aveyron, met vindplaatsen verdeeld over ruim tien gemeenten in en rond het nationale park van de Cevennen. Het areaal is klein, langgerekt en volgt de kloofwanden. Onze eigen soortenlijst geeft alleen 'Frankrijk (Zuid-Frankrijk)'; dat klopt, maar de soort is in werkelijkheid strikt gebonden aan dit ene kalkplateaugebied, en niet aan Zuid-Frankrijk in het algemeen.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. Wat varieert is de plantgrootte en het aantal bloemen, en dat hangt samen met de vochtigheid en de beschutting van het stukje wand. De taxonomische status is wel veranderd: de plant is in 2016 van ondersoort van P. longifolia tot zelfstandige soort verheven, en in oudere Franse flora's en waarnemingen staat hij nog onder die oude naam. Wie historische gegevens gebruikt, moet daar rekening mee houden; het gaat in beide gevallen om dezelfde planten op dezelfde wanden.
Waar en wanneer te zien
Het voorjaar, wanneer het water uit de winterneerslag nog uit de wanden komt: mei is doorgaans een goede maand. Zoek in de diepe, noordgerichte delen van de kloven, vanaf de weg of het wandelpad langs de rivier, en let op donkere, natte banen op de lichte kalkwand. Een verrekijker is hier onmisbaar, want de rozetten hangen meestal ver boven het pad. Klim niet in de wanden — ze zijn los, de plant wortelt in fragiele mospolsters, en de kloven zijn druk bezocht door klimmers, wat voor deze standplaatsen al belasting genoeg is.
Staat van instandhouding
De soort geldt als niet bedreigd. Dat berust vooral op het feit dat de kloofwanden onbereikbaar en onbebouwbaar zijn en dat een groot deel van het areaal binnen het nationale park van de Cevennen ligt, waar de soort al jaren wordt gevolgd. De kwetsbaarheden blijven: het volledige wereldareaal bestaat uit de wanden van een paar kloven, elke standplaats hangt aan water dat door het kalkplateau sijpelt, en langere zomerdroogtes verminderen die toevoer. Daarnaast raken klimroutes en via ferrata's precies de natte, beschaduwde wandgedeelten waar de plant staat. CITES is niet van toepassing.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula caussensis | (Casper) Roccia, 2016
Oorspronkelijk in 1966 beschreven als ondersoort van Pinguicula longifolia door Siegfried Jost Casper; in 2016 door Fabrizio Roccia verheven tot eigen soort, Pinguicula caussensis. Het typegebied ligt op de Causses, de kalksteenplateaus in het zuiden van Frankrijk (departementen Aveyron, Gard, Hérault en Lozère). De soortnaam caussensis verwijst rechtstreeks naar de Causses, waaraan de Franse volksnaam "Grassette des Causses" ook refereert.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.