Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula crassifolia
Pinguicula crassifolia
Het hoogst groeiende vetblad van deze groep: Pinguicula crassifolia staat op bijna drieduizend meter in het abiesbos van de Sierra de Pachuca in Hidalgo, op natte rotsen onder de zilverspar. Het is een soort van koud, vochtig bergklimaat — meer verwant in levenswijze aan de Europese bergvetbladen dan aan de droogteminnende soorten uit de Mexicaanse gipsstreken — en zij is te herkennen aan haar dikke winterblaadjes, waaraan zij ook haar naam dankt.

Herkenning
Een soort met duidelijk tweeërlei bladeren. De zomerbladeren zijn groot en elliptisch, 37 tot 111 mm lang, dun en met de gebruikelijke kleefdruppels op de bovenzijde; ze liggen vlak op het mos of hangen enigszins over de rots. De winterrozet bestaat uit veel kleinere, opvallend dikke en vlezige blaadjes van slechts 3 tot 11 mm — daaraan ontleent de soort haar epitheton. De bloem is groot voor een Mexicaans vetblad: 23 tot 50 mm lang, roodpurper, met een cilindrisch spoor van 8 tot 25 mm. Voor de bloeitijd hebben wij geen toetsbare opgave kunnen vinden; het veld is daarom in de feitenkaart leeg gelaten. Wie de plant buiten de bloei aantreft, herkent haar aan de combinatie van grote zomerbladeren en een verrassend klein, dikbladig winterknopje.
Gelijkende soorten
Op deze hoogte is de soortenkeuze beperkt, en dat helpt. De grootbloemige soorten van het Pinguicula moranensis-complex komen in hetzelfde deel van Hidalgo voor, maar blijven doorgaans lager en hebben een lossere, bladrijkere winterrozet met langere winterblaadjes; de extreem korte, dikke winterblaadjes van 3 tot 11 mm zijn voor P. crassifolia kenmerkend. Pinguicula elizabethiae, eveneens uit Hidalgo en Querétaro, staat lager en op kalk. Wie zich in het abiesbos van het Parque Nacional El Chico bevindt en een grote roodpurperen bloem ziet, heeft waarschijnlijk deze soort; daaronder, in het eikenbos, ligt de kans anders.
De val en hoe hij werkt
De grote, dunne zomerbladeren zijn de vangorganen. Hun bovenzijde draagt gesteelde klieren met een kleverige druppel, met daartussen zittende klieren die pas bij contact met een prooi verteringsenzymen afgeven; de bladrand krult zich daarna langzaam over de vangst. In een koel, permanent vochtig sparrenbos op drieduizend meter bestaat de vangst vooral uit dansmuggen, langpootmuggen en andere kleine tweevleugeligen die boven de natte mosrotsen zwermen, aangevuld met springstaarten uit de mosmat zelf. De dikke winterblaadjes vangen niet: ze zijn bedoeld om de koude, droge maanden door te komen, als het bos 's nachts bevriest en er nauwelijks insecten vliegen.
Standplaats en ecologie
Mosbedekte natte rotsen in het bos van Abies religiosa en Juniperus, op 2850 tot 3000 m hoogte. De planten zitten in beschaduwde, vochtige rotsspleten waarin zich wat organisch materiaal heeft verzameld, op plekken waar kwel- of regenwater over het gesteente loopt (R1), onder het gesloten kronendak van het sparrenbos of aan de rand daarvan (B5). Het is een koel en nat milieu met veel mos en varens, maar met vrijwel geen bodem: de voedingsstoffen worden voortdurend weggespoeld, wat vleeseterij hier lonend maakt. Bij deze hoogte komen nachtvorst en sneeuw regelmatig voor, en de plant brengt die periode als dikbladig knopje door.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in de staat Hidalgo in centraal Mexico, beschreven van Las Ventanas in de gemeente El Chico, en bekend uit het Parque Nacional El Chico en directe omgeving — het hoogste deel van de Sierra de Pachuca. Onze soortenlijst geeft Hidalgo en Veracruz op; de oorspronkelijke beschrijving en het typemateriaal wijzen uitsluitend op Hidalgo, en wij hebben geen bevestiging voor Veracruz kunnen vinden. Het bekende areaal is dus bijzonder klein: een enkel bergmassief, binnen een hoogtegordel van nog geen honderdvijftig meter. Dat de soort binnen een nationaal park valt, is voor de bescherming een gunstige omstandigheid.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen wilde variëteiten beschreven. Bij een soort die op één bergmassief en binnen een smalle hoogtegordel voorkomt, is dat te verwachten: het milieu is over het hele areaal vrijwel gelijk, met dezelfde rotssoort, hetzelfde bostype en hetzelfde klimaat. De waargenomen variatie betreft de grootte van de zomerbladeren, die in diepe, natte spleten fors uitvallen en op geëxponeerde rotsen klein blijven, en de lengte van het spoor, dat blijkens de beschrijving sterk wisselt — van acht tot vijfentwintig millimeter. Die spoorvariatie binnen één soort is een waarschuwing tegen het te zwaar laten wegen van spoorlengte bij het determineren van Mexicaanse vetbladen. Natuurlijke hybriden zijn niet gemeld.
Waar en wanneer te zien
Ga in de zomer, wanneer de zomerrozetten zijn uitgegroeid, en zoek in het Parque Nacional El Chico langs de vochtige, noord geëxponeerde rotsformaties in het sparrenbos: de bekende rotsen en kliffen van dat park zijn precies het type standplaats. Kijk in spleten en onder overhangen waar water langs de wand sijpelt en het mos dik is. De grote roodpurperen bloem is van een afstand te zien; de rozet gaat tussen het mos op. Op deze hoogte kan het weer snel omslaan — neem regenkleding mee en ga niet in de mist over de rotsen klauteren. Laat de planten staan; de populaties zijn klein en zitten in een beschermd gebied.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is, laat zich kort samenvatten: een uitgesproken hooggebergtesoort met een zeer klein areaal in één massief, die daarmee tot de categorie hoort waar een beoordeling op zou moeten volgen. Gunstig is dat het grootste deel van het areaal in een nationaal park ligt en dat het sparrenbos daar in stand wordt gehouden. Ongunstig zijn de recreatiedruk op precies de rotsformaties waar de soort groeit, de branden die het parkbos periodiek treffen, en de opschuivende klimaatgordels: voor een soort die al op de top van haar gebergte zit, is er bij verdere opwarming geen hoger alternatief. Het ontbreken van een beoordeling is hier een leemte, geen geruststelling.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula crassifolia | Zamudio, 1988
Beschreven door Sergio Zamudio in 1988, in Acta Botanica Mexicana 3: 21–28. Het typegebied ligt in de gemeente El Chico, bij Las Ventanas, in de Mexicaanse deelstaat Hidalgo, op ongeveer 3000 meter hoogte. De soortnaam crassifolia is samengesteld uit het Latijnse crassus ("dik") en folium ("blad") en verwijst naar de opvallend dikke, vlezige winterbladeren van deze soort.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.