Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula clivorum

Pinguicula clivorum

Pinguicula clivorum is een plant van steile hellingen — de soortnaam betekent letterlijk 'van de hellingen' — en van grote hoogte: tussen ongeveer negentienhonderd en negenentwintighonderd meter in de Sierra de los Cuchumatanes in westelijk Guatemala en in de aangrenzende hooglanden van Chiapas in Zuid-Mexico. De soort werd in de twintigste eeuw beschreven, raakte daarna vrijwel uit beeld en werd pas veel later herontdekt en opnieuw beschreven.

Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.

Herkenning

Een rozet van vijf tot tien centimeter breed, bij kleine exemplaren vanaf ruim drie centimeter, met zes tot zeventien dunne, bleekgroene bladeren van bijna twee tot ruim vier centimeter lang. De bladeren zijn omgekeerd eirond tot bijna halfrond, met een afgeronde top en een wigvormige voet. Per plant staan één tot acht bloeistelen van drie tot tien centimeter, dicht bezet met klierharen. De bloem is twaalf tot achttien millimeter lang inclusief spoor, wit met bleek violet aan de voet en op de bovenlip, en draagt een groene richel op de middelste slip van de onderlip. De spoor is cilindrisch, bijna vier tot zes millimeter lang.

Gelijkende soorten

In deze hooglanden komen meer vetbladen voor, maar de combinatie van een kleine, witte bloem met bleek violette tinten en een groene richel op de onderlip is kenmerkend. Let op de spoor: die is hier vrij kort ten opzichte van de bloem en staat onder een stompe hoek met de kroon. Andere Midden-Amerikaanse soorten hebben doorgaans duidelijk paarse of grotere bloemen en langere sporen. Doordat de soort zo zelden wordt gezien, is elke vondst het documenteren waard — met foto's van bloem in profiel, van de onderlip en van de hele rozet.

De val en hoe hij werkt

De rozet vangt met het gebruikelijke tweeledige klierdek: gesteelde klieren die een kleefdruppel dragen en zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er een prooi op ligt, waarna het opgeloste voedsel door de bladhuid wordt opgenomen. De bladeren zijn hier vliezig en dun, wat past bij een plant van koele, vochtige hellingen met een korte groeiperiode. Op bijna drieduizend meter is het aanbod aan kleine insecten beperkt tot de warmste uren van de dag, en de plant is dan ook vooral in het natte seizoen actief.

Standplaats en ecologie

Zeer steile hellingen en de randen van ravijnen, op kalksteen of kalkhoudende bodem, met dennenbos als omringende vegetatie; herbariumetiketten beschrijven ook grazige hellingen met eiken. De standplaatsen liggen hoog in de bergen, in een zone waar de nachten koud zijn en de mist regelmatig tot op de grond komt. Het zijn plekken waar de bodem dun is en snel uitspoelt, en waar de plant op kale, steile grond staat die voor hogere vegetatie te instabiel is. Zulke instabiele hellingen zijn voor kleine planten een kans: elke afschuiving legt kale, kalkrijke grond bloot waarop kiemplanten een voorsprong hebben op alles wat traag wortelt. Het keerzijde is dat een populatie met de helling kan meeschuiven of verdwijnen.

Verspreiding en hoogte

Het bekende areaal ligt in westelijk Guatemala — het departement Huehuetenango, in de Sierra de los Cuchumatanes rond San Juan Ixcoy en Chiantla — en in de aangrenzende hooglanden van Chiapas in Zuid-Mexico, bij Motozintla, El Porvenir en Chamula. De soort is dus niet beperkt tot één land maar tot één bergketen die de grens kruist. De hoogteligging loopt van ongeveer negentienhonderd tot bijna negenentwintighonderd meter.

Vormen en variatie

Er worden geen ondersoorten of variëteiten in het wild onderscheiden. De variatiebreedte die in de beschrijving is vastgelegd — zes tot zeventien bladeren, één tot acht bloeistelen, rozetten van ruim drie tot tien centimeter — is aanzienlijk, en hangt samen met de leeftijd en de standplaats van de plant. Omdat de soort van zo weinig vindplaatsen bekend is, berust dat beeld op een klein aantal populaties; nieuw materiaal kan het gemakkelijk verbreden.

Waar en wanneer te zien

Ga in het late najaar of de vroege winter: november tot januari is de bloeitijd, en buiten die periode is de plant op een steile, grazige helling vrijwel niet te vinden. Zoek op de steilste delen — de rand van een ravijn, een afgekalfde helling, een kale kalksteenrand — en juist niet in gesloten vegetatie. De hoogte vraagt voorbereiding: het gaat om terrein boven de tweeduizend meter met koude nachten. Documenteer elke vondst; de soort geldt als uitzonderlijk zeldzaam en elke nieuwe waarneming telt.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is, is nadrukkelijk weinig: bij de herontdekking werd de soort als uitzonderlijk zeldzaam beschreven, bekend van slechts een handvol verzamelingen uit een grensoverschrijdend berggebied. De hooglanden van de Cuchumatanes en van Chiapas staan onder druk van houtkap, begrazing en omzetting in akkerland, en juist de steile, open hellingen waar deze soort staat zijn gevoelig voor erosie en betreding door vee. Het ontbreken van een internationale categorie zegt hier niets meer dan dat niemand de beoordeling heeft gemaakt. Voor een soort met zo'n dun dossier geldt dat elke nieuwe, goed vastgelegde vondst het verschil kan maken tussen 'vrijwel onbekend' en 'beoordeelbaar'.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula clivorum | Standley & Steyermark, 1944

Beschreven door Paul Carpenter Standley en Julian Steyermark in 1944. Het typegebied ligt in het grensgebied van Guatemala en Mexico; de soort is zeldzaam en werd pas decennia na de eerste beschrijving herontdekt. De soortnaam clivorum is Latijn voor "van de hellingen" en verwijst naar de groeiplaats op steile berghellingen.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.