Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes ramispina

Nepenthes ramispina

De naam zegt het al: 'ramispina' betekent 'vertakte doorn', en het meest eigenaardige kenmerk van deze kannenplant zit op een plek waar weinig mensen kijken, achter het deksel. Daar staat bij de meeste soorten een enkele, korte spoor; bij Nepenthes ramispina is die spoor in drie tot zeven takken gesplitst, als een kwastje. Henry Ridley beschreef de soort in 1909 van de top van Ulu Semangkok in Selangor, op het hoofdgebergte van het Maleisisch schiereiland. Het is een plant van het koele, bemoste bergbos, met donkere, bijna zwartgroene bekers.

Nepenthes ramispina
Foto: Leo M. — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een klimplant tot vijf meter met ronde stengels van drie tot zes millimeter dik, spaarzaam bezet met vertakte haren. De bladeren zijn leerachtig en zittend, langwerpig-omgekeerd eirond, tot 16 cm lang en ruim 3 cm breed, met een voet die minstens de halve stengel omvat en twee oortjes vormt. De onderbekers zijn kort cilindrisch, 5 tot 10 cm hoog, in de onderste helft licht opgezwollen, met twee gefranjerde vleugels van drie millimeter. De bovenbekers zijn lang en cilindrisch, tot 18 en uitzonderlijk 24 cm, meestal het breedst bij de mond en zonder of met sterk teruggebrachte vleugels. Het peristoom is opvallend smal, een halve tot één millimeter, met nauwelijks zichtbare ribbels. Het deksel is rond, vaak iets breder dan lang, zonder aanhangsels, met de karakteristieke, drie- tot zevenvoudig vertakte spoor. De onderbekers zijn kastanjegroen tot diep zwartgroen, van binnen bleek blauwgroen; de bovenbekers paarsgroen of bleekgroen, met een diep rood of bleekgroen peristoom.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Nepenthes gracillima van de oostelijke bergen, en de twee zijn lang door elkaar gehaald; Nepenthes gracillima var. major van Ridley is in feite deze soort. Volgens Cheek en Jebb (2001) is ramispina forser, met bredere bladeren, langere en slankere bovenbekers met een vertakte spoor (bij gracillima enkelvoudig en korter dan drie millimeter), onomrande nectarklieren van ongelijke grootte onder het deksel, en een behaarde stengel en middennerf. In hetzelfde bergbos groeien ook Nepenthes macfarlanei, met dichte witte haren onder het deksel, en Nepenthes sanguinea, met veel forsere, buikige bekers en een breed peristoom.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil met een uitzonderlijk smal peristoom. Waar veel kannenplanten een brede, gladde rand hebben, is die hier slechts een halve tot één millimeter breed; de vangst berust dan meer op de gladde, wasachtige binnenwand, bij de onderbekers blauwgroen berijpt, waarop dieren geen houvast vinden. Onder het deksel liggen talrijke nectarklieren, klein aan de rand en groter naar het midden. De functie van de vertakte spoor is onbekend. De lange, cilindrische bovenbekers zijn geschikt voor vliegende insecten; de onderbekers, met hun gefranjerde vleugels, voor kruipende dieren. Specifiek prooi-onderzoek is voor deze soort niet gevonden.

Standplaats en ecologie

Bemost bergbos en kamvegetatie op het hoofdgebergte van het schiereiland (B1). De beschikbare bron geeft geen hoogtebereik, zodat het hoogteveld leeg blijft; de typecollectie komt van de top van een van de bergen van het hoofdgebergte. Het is een vochtig, koel milieu met veel mos en regelmatig mist, waar de plant tegen struiken en jonge bomen omhoog klimt.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op het Maleisisch schiereiland, en daar beperkt tot de westelijke bergketens, het Titiwangsa- of hoofdgebergte. Ons eigen overzicht noemt het Maleisisch schiereiland; de beperking tot het westelijke hoofdgebergte is een nadere precisering uit de literatuur. De soort groeit onder meer in de omgeving van enkele bekende hooglandoorden van dat gebergte.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten erkend. De kleur varieert van donker kastanje- en zwartgroen tot bleekgroen, en het peristoom van diep rood tot bleekgroen. Natuurlijke hybriden zijn bekend met Nepenthes macfarlanei, waar beide soorten samen groeien. Door de lange verwarring met Nepenthes gracillima kan oudere literatuur en herbariummateriaal onder die naam ook deze soort betreffen.

Waar en wanneer te zien

De hooglandoorden van het hoofdgebergte, met wegen en wandelpaden door het bemoste bergbos, bieden de beste kansen. Zoek langs kammen en bosranden naar slanke, donkere bekers die tegen het groen bijna zwart lijken. Wie een beker vindt, kan voorzichtig achter het deksel kijken: een kwastje van drie tot zeven takjes waar bij andere soorten een enkel doorntje zit, maakt de determinatie zeker. Pluk niets; ook langs toeristische paden zijn kannenplanten schaars geworden.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als kwetsbaar (Vulnerable). Het areaal is beperkt tot een deel van het hoofdgebergte, en juist daar liggen de hooglandoorden van het schiereiland, met hun wegen, hotels, landbouw en uitbreidingsplannen. Ook het verzamelen van planten langs toegankelijke paden speelt mee. Als lid van het geslacht Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes ramispina | Ridley, 1909

Nepenthes ramispina werd in 1909 beschreven door Henry Nicholas Ridley, in "The flora of the Telôm and Batang Padang valleys" (Journal of the Federated Malay States Museums 4(1): 1-98, p. 59). Schiereiland Maleisië, met onder meer vindplaatsen op de berg Tahan (dezelfde berg als N. gracillima, golf 23); een enkele, specifieke typelocatie kon niet nader worden vastgesteld. De naam is samengesteld uit het Latijnse "ramus" ("tak") en "spina" ("doorn, stekel"), en verwijst naar kenmerken van de plantstructuur.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.