Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes gracillima
Nepenthes gracillima
De sierlijkste kannenplant van het schiereiland, en een van de ranste van het hele geslacht: 'gracillima' betekent 'zeer slank'. Henry Ridley, de directeur van de Botanische Tuinen van Singapore en een onvermoeibaar verzamelaar, beschreef de soort in 1908 van de hoogste bergen van het Maleisisch schiereiland. Ze heeft smalle blaadjes van nauwelijks een centimeter breed en lange, dunne bekers die van groen naar ivoorwit verkleuren. De taxonomie van deze plant en haar naaste verwanten is lang een warboel geweest, en is dat voor een deel nog.

Herkenning
Een ijle klimplant van één tot vijf meter, met dunne stengels van twee tot vijf millimeter dik. De bladeren zijn dun leerachtig, zittend, lancet- tot omgekeerd lancetvormig, meestal slechts 5 tot 10 cm lang en één tot anderhalve centimeter breed. De onderbekers zijn klein, 5 tot 10 cm hoog, onderaan trechtervormig en bovenaan cilindrisch, met smalle vleugels van ongeveer twee millimeter. De bovenbekers zijn lang en smal, 6 tot 15 cm, zelden tot 17,5 cm hoog maar vaak nauwelijks twee centimeter breed; ze hebben geen vleugels en een dun peristoom van anderhalve tot drie millimeter. Het deksel is rond tot breed eirond en klein, met een onvertakte spoor van twee à drie millimeter. De bovenbekers zijn onderaan bleekgroen en worden naar boven bleekgeel tot ivoorwit, met roze tekening.
Gelijkende soorten
De naaste verwant, en de lastigste, is Nepenthes ramispina van het westelijke hoofdgebergte. Volgens Cheek en Jebb (2001) is die forser, met bredere, langwerpig-omgekeerd eironde bladeren, langere en slankere bovenbekers met een bundelvormig vertakte spoor (bij gracillima enkelvoudig en korter dan drie millimeter), talrijke onomrande klieren van ongelijke grootte onder het deksel (bij gracillima omrand en gelijkmatig 0,4 tot 0,6 mm) en een behaarde stengel en middennerf. De naam Nepenthes alba, door Ridley voor planten met witte bovenbekers gegeven, geldt bij Cheek en Jebb als synoniem; andere auteurs houden haar apart. Van Nepenthes macfarlanei is ze door de veel kleinere, slankere bekers en het ontbreken van witte haren onder het deksel gemakkelijk te scheiden.
De val en hoe hij werkt
Een valkuil op kleine schaal. De slanke bovenbekers, met hun smalle mond en dunne peristoom, vangen vooral kleine vliegende insecten; de lichte, bijna witte kleur van het bovenste deel valt op tegen het donkere groen van het struweel en zou een rol kunnen spelen bij het lokken. De kleine onderbekers met hun smalle vleugels staan dicht bij de grond en vangen kruipend gedierte. Het deksel draagt omrande nectarklieren van vrijwel gelijke grootte. Specifiek onderzoek naar prooi of verteringsvloeistof bij deze soort is in de geraadpleegde literatuur niet gevonden.
Standplaats en ecologie
Open plekken of struweel op kwartsietbodems of sterk verweerd gesteente, van 1300 tot 2100 m hoogte (R4, B6, B1). Dat zijn de schrale, zonnige toppen en hoogvlakten van de oostelijke bergen van het schiereiland, met hun lage, dichte vegetatie van struiken en mossen. De plant klimt of scharrelt door die lage vegetatie en verdraagt veel zon.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op het Maleisisch schiereiland. Volgens Cheek en Jebb (2001) is de soort beperkt tot de oostelijke bergketens, met name Gunung Tahan, de hoogste berg van het schiereiland, en Gunung Tapis. Andere auteurs, die de soort anders afgrenzen, noemen ook vindplaatsen elders in het bergland; die verschillen hangen samen met de vraag hoe gracillima, alba en ramispina van elkaar worden gescheiden. Ons eigen overzicht noemt 'hoogland', wat met beide opvattingen verenigbaar is.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Formeel worden geen variëteiten erkend. Nepenthes gracillima var. major, een oude naam van Ridley, hoort volgens Cheek en Jebb bij Nepenthes ramispina, niet bij deze soort. Planten met geheel witte bovenbekers zijn onder de naam alba beschreven; of dat een aparte soort, een vorm of alleen een uiterste van de gewone kleurvariatie is, is omstreden. De bekerkleur varieert verder van bleekgroen tot ivoor, met meer of minder roze tekening.
Waar en wanneer te zien
De soort groeit op de hoogste en afgelegenste toppen van het schiereiland, en een bezoek betekent een meerdaagse tocht met gids, bijvoorbeeld de klim naar Gunung Tahan door het Nationaal Park Taman Negara, waarvoor vergunningen en een erkende gids verplicht zijn. Beloning is een open hoogvlakte met laag struweel, waar de slanke, ivoorkleurige bekers tussen de takken hangen. Kijk goed: de planten zijn fijn en worden in de dichte vegetatie gemakkelijk over het hoofd gezien.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern). Haar belangrijkste groeiplaatsen liggen in afgelegen, beschermd hooggebergte, en ze wordt weinig bedreigd. Als lid van het geslacht Nepenthes staat ze wel in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist. Op lange termijn is klimaatverandering een zorg voor planten van bergtoppen, die bij opwarming nergens hoger heen kunnen.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes gracillima | Ridley, 1908
Nepenthes gracillima werd in 1908 beschreven door Henry Nicholas Ridley, in "On a collection of plants made by H.C. Robinson and L. Wray from Gunong Tahan, Pahang" (The Journal of the Linnean Society: Botany 38(266): 301-336). De berg Tahan (Gunung Tahan), Pahang, schiereiland Maleisië, waar H.C. Robinson en L. Wray de verzameling bijeenbrachten die tot de beschrijving leidde. De naam is de Latijnse overtreffende trap van "gracilis" ("slank"), dus "de slankste", en verwijst naar de bijzonder tengere bouw van deze soort.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.