Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes philippinensis
Nepenthes philippinensis
De kannenplant van het Palawaanse laagland. Waar de bergtoppen van Palawan elk hun eigen zeldzame reus hebben, is Nepenthes philippinensis de soort die men op het eiland het vaakst tegenkomt: een slanke klimplant met smalle bladeren en kleine, rood gespikkelde bekers in het struweel van de lage heuvels. Ze werd begin twintigste eeuw door Macfarlane beschreven, en de naam, die naar de hele archipel verwijst, is wat misleidend: de soort is beperkt tot Palawan. Ook de later beschreven Nepenthes wilkiei blijkt dezelfde plant te zijn.

Herkenning
Een klimplant met ronde stengels van 3,5 tot 5 mm dik en zittende, papierachtige bladeren. Aan de klimstengels zijn de bladeren omgekeerd lancet- tot tongvormig, 14 tot 28 cm lang maar slechts 1,7 tot 3,6 cm breed, met vier of vijf opvallende lengtenerven in de buitenste helft van elke bladhelft; rozetbladeren zijn langwerpig-spatelvormig, tot 16 cm. De onderbekers zijn in de onderste helft tot twee derde eivormig en naar de mond toe cilindrisch, 8,5 tot 16 cm hoog, met twee gefranjerde vleugels van twee tot vier millimeter. Het peristoom is afgerond, aan de voorzijde smal, maar aan de zijkanten breder, tot 8,5 mm. De bovenbekers zijn bijna cilindrisch, in het onderste derde licht opgezwollen, ongeveer 18 cm hoog. Het deksel is breed eirond tot bijna rond en heeft geen aanhangsels. De kleur is kenmerkend: onderaan groen met kastanjebruine spikkels, bovenaan kastanjebruin met groene spikkels, met een kastanjebruin peristoom.
Gelijkende soorten
Het ontbreken van aanhangsels onder het deksel onderscheidt de soort van de Filipijnse alata-groep, waarvan de leden een richel of aanhangsel onder het deksel hebben. Op Palawan zelf is Nepenthes mirabilis, als die er voorkomt, te herkennen aan duidelijk gesteelde bladeren. De grote bergsoorten van Palawan, zoals Nepenthes attenboroughii en Nepenthes palawanensis, zijn met hun brede bladeren en reusachtige bekers niet te verwarren, en groeien bovendien veel hoger. Het omgekeerde kleurpatroon, groen met bruine spikkels onder en bruin met groene spikkels boven, is in het veld een handig kenmerk.
De val en hoe hij werkt
Een valkuil met duidelijk verschillende onder- en bovenbekers. De onderbekers staan aan de voet van de plant, zijn onderaan gezwollen en dragen twee gefranjerde vleugels die kruipende dieren naar de mond leiden. Het peristoom is aan de voorzijde smal en aan de zijkanten breder, zodat de gladde zone vooral de flanken van de mond beslaat. Het deksel draagt nectarklieren maar geen aanhangsel. De bovenbekers hangen aan de ranken in het struweel en vangen vliegende en klimmende insecten. Gericht prooionderzoek is voor deze soort niet gepubliceerd. Omdat de plant in open, zonnig struweel groeit, vangt ze in een omgeving met veel mieren en vliegende insecten; bij verwante laaglandsoorten vormen mieren doorgaans het grootste deel van de prooi, maar voor deze soort is dat niet gemeten.
Standplaats en ecologie
Struweel op ultramafische grond, van 25 tot 520 m hoogte (R3, B6, B5). Grote delen van Palawan liggen op ultramafisch gesteente, en de lage, open vegetatie die daarop groeit, met veel zon en weinig voedingsstoffen, is het terrein waar deze soort thuis is. Ze klimt door struiken en langs bosranden en kan zich in die open omgeving goed handhaven. Palawan ligt geologisch los van de rest van de Filipijnen: het eiland is een uitloper van het Sunda-plat en heeft een flora met veel verwantschap met Borneo. Ultramafisch gesteente komt er op grote schaal aan de oppervlakte, vooral in het midden en zuiden, en de schrale, open vegetatie die daarop groeit, herbergt een opvallend aantal endemische planten.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Palawan, waar ze in het laagland en de lage heuvels voorkomt. Ons eigen overzicht noemt Palawan, wat met de literatuur overeenstemt. De soort is binnen het eiland vrij wijdverbreid, voor zover de ultramafische ondergrond dat toelaat. De naam philippinensis suggereert een grotere verspreiding, maar buiten Palawan is de soort niet bekend.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten erkend. Nepenthes wilkiei, in 1998 als aparte soort beschreven, wordt sinds 2001 als synoniem beschouwd. De kleur varieert enigszins met de hoeveelheid licht: in volle zon zijn de planten roder en gedrongener, in de schaduw groener. Natuurlijke hybriden met andere Palawaanse soorten worden in de geraadpleegde bronnen niet vermeld.
Waar en wanneer te zien
Van de kannenplanten van Palawan is dit de meest haalbare: ze groeit laag, in open struweel dat vaak vanaf wegen en paden bereikbaar is. Zoek in het ultramafische heuvelland op zonnige plekken naar slanke stengels met smalle, zittende bladeren, en kijk laag in de vegetatie naar de onderbekers en hoger naar de hangende bovenbekers. De droge tijd, van december tot april, is het prettigste reisseizoen op Palawan.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern). Ze is op Palawan wijdverbreid en gedijt in open, verstoorde vegetatie. De ultramafische gebieden van Palawan zijn wel het doelwit van nikkelmijnbouw, die hele heuvels kan verwijderen, en ook verstedelijking en landbouw nemen laaglandstruweel in. Als lid van het geslacht Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes philippinensis | Macfarlane, 1908
Nepenthes philippinensis werd in 1908 beschreven door John Muirhead Macfarlane, in "Nepenthaceae" (in A. Englers Das Pflanzenreich IV, III, Heft 36: 1-91). De soort komt voor op Palawan en de naburige Calamianeilanden (waaronder Busuanga, Coron en Culion) en Linapacan, Filipijnen, van zeeniveau tot 600 m hoogte; de precieze typelocatie kon niet nader worden vastgesteld. De naam verwijst rechtstreeks naar de Filipijnen, waar de soort endemisch is.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.