Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes monticola

Nepenthes monticola

Een klimmende kannenplant van het bemoste bergbos in het westelijk-centrale bergland van Nieuw-Guinea. Nepenthes monticola — 'bergbewoner' — werd pas in 2011 beschreven door Alastair Robinson, Andreas Wistuba, Joachim Nerz, Muhammad Mansur en Stewart McPherson. Tot dan toe werden deze planten gerekend tot Nepenthes lamii, de soort die boven de boomgrens groeit. De auteurs lieten zien dat het om twee soorten gaat: een gedrongen hooggebergtesoort en een klimmer van de nevelwouden daaronder. Veel van wat oudere literatuur over Nepenthes lamii op lagere hoogte vertelt, gaat in feite over deze soort.

Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.

Herkenning

Een sterke klimplant met stengels die meestal tot vier meter lang worden, hoekig in doorsnede, tot 6 mm dik en roodachtig van kleur. De rozetbladeren zijn 7 tot 12 cm lang, de bladeren van de klimstengel tot 15 cm, met een versmalde voet die langs de stengel afloopt. De onderbekers zijn smal eivormig, versmallen tot een duidelijke taille en worden dan cilindrisch, tot 12 cm hoog en 3,5 cm breed, met een mond die ongeveer 40 graden scheef staat en een rond tot licht afgeplat peristoom van 2 tot 5 mm met fijne ribbels. De bovenbekers zijn onderaan smal eivormig en daarboven cilindrisch tot trechtervormig, tot 18 cm hoog en 5 cm breed, met een afgeplatte voorzijde. De plant is vrijwel kaal; alleen verspreid staan heel korte zwarte haartjes.

Gelijkende soorten

De enige serieuze verwarringsbron is Nepenthes lamii, waarbij de soort tot 2011 werd ingedeeld. Nepenthes lamii in strikte zin is een gedrongen, grotendeels rechtopstaande plant met rode stengels en bolle bekers, die boven de boomgrens groeit op meer dan 3200 m. Nepenthes monticola is een echte klimmer met hoekige stengels en onderbekers met een taille, en groeit lager, tussen 1400 en 2620 m, in bemost bergbos. Hoogte en groeiwijze zijn in het veld daarom de eerste aanwijzing. Van Nepenthes maxima, die in dezelfde bergen voorkomt, verschilt ze door veel kleinere bekers en het ontbreken van aanhangsels onder het deksel.

De val en hoe hij werkt

Een bekerval die opvallend sterk inzet op lokking. Onder het deksel staan de nectarklieren zeer dicht, 1400 tot 2000 per vierkante centimeter, een kenmerk dat de soort deelt met Nepenthes lamii. Insecten die op de nectar afkomen en over het peristoom lopen, glijden weg zodra de ribbels nat zijn en belanden in de verteringsvloeistof. De onderbekers staan in rozetten dicht bij de grond en in het mos en vangen vooral lopende dieren; de bovenbekers hangen aan lange ranken in de bemoste vegetatie en vangen ook vliegende insecten. In het koele bergbos zijn insecten minder talrijk, wat een sterke lokking per beker zinvol maakt.

Standplaats en ecologie

Terrestrisch, soms epifytisch, in lichte omstandigheden tussen gedrongen, bemoste vegetatie van het hogere bergbos, op 1400 tot 2620 m (B1, B5). De soort geeft de voorkeur aan heldere plekken: open delen van het nevelwoud, bosranden, struweel en herstellende vegetatie na verstoring. Het klimaat is koel en vrijwel altijd vochtig, met veel bewolking en regen. De bodem is voedselarm, vaak veenachtig of bedekt met een dikke moslaag, zodat de vangst een belangrijke aanvulling vormt op wat de wortels opnemen.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in het westelijk-centrale bergland van de Indonesische provincie Papoea, op Nieuw-Guinea, waar ze op een aantal bergen voorkomt. Onze eigen soortenlijst noemt 'Nieuw-Guinea', wat klopt, maar de bekende vindplaatsen liggen alle in het westelijke, Indonesische deel van het centrale gebergte. De omvangrijke populaties die vroeger onder Nepenthes lamii werden gemeld uit de omgeving van de mijnstad Tembagapura, rond 1900 m, vallen binnen het hoogtebereik van deze soort. Het gebied is groot en slecht onderzocht, zodat de werkelijke verspreiding ruimer kan zijn.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten of vormen beschreven, en in de geraadpleegde bronnen worden geen natuurlijke hybriden genoemd. De kleur varieert wel sterk. Onderbekers zijn geelgroen, ruim gespikkeld of overgoten met rood, of geheel rood. Bovenbekers variëren van bleek geel met een roodachtig peristoom tot geheel roodachtig. Planten in volle zon zijn doorgaans roder en gedrongener dan planten in de schaduw van het bos. Ook de middennerf en ranken kunnen van geel naar rood kleuren bij sterke belichting.

Waar en wanneer te zien

Deze soort groeit in afgelegen bergland in Papoea waar toegang beperkt is en vergunningen nodig zijn. Waar het bergbos bereikbaar is, zoek dan naar open, lichte plekken: bosranden, oude open kapvlakten, bemoste struwelen op bergkammen. Kijk omhoog naar de gelige of roodachtige bovenbekers in het struikgewas, en omlaag in het mos naar de kleinere onderbekers met hun duidelijke taille. Houd de hoogte in het oog: boven de boomgrens, op meer dan 3000 m, is een kleine rode kannenplant waarschijnlijk Nepenthes lamii.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst als niet in gevaar (Least Concern). De soort komt op meerdere bergen voor, deels op plaatsen die door hun ligging moeilijk bereikbaar zijn, en ze verdraagt verstoorde en herstellende vegetatie. Als lid van het geslacht Nepenthes staat ze in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist. Plaatselijke bedreigingen zijn mijnbouw en de bijbehorende infrastructuur in het centrale gebergte, en op langere termijn klimaatverandering, die de hoogtezones van bergplanten verschuift.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes monticola | Robinson, Wistuba, Nerz, Mansur & McPherson, 2011

Nepenthes monticola werd in 2011 beschreven door Alastair Robinson, Andreas Wistuba, Joachim Nerz, Muhammad Mansur en Stewart McPherson, in het boek New Nepenthes: Volume One (p. 522-555), waarin de auteurs een tot dan toe als één soort beschouwd complex opsplitsten in twee soorten. Verscheidene bergen in het westelijk centrale hoogland van West-Nieuw-Guinea, op 1400-2620 m hoogte; een enkele, specifieke typelocatie is niet aangewezen. Vóór 2011 werd deze hooglandsoort verward met de nauw verwante N. lamii (golf 25), tot ze door gedetailleerd morfologisch onderzoek van elkaar werden onderscheiden. De naam komt van het Latijnse "monticola" ("bergbewoner") en verwijst naar de hooggebergte-habitat van deze soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.