Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes maryae

Nepenthes maryae

Een soort die tot nu toe alleen op papier en in een herbariumkast bestaat. Nepenthes maryae werd in 2016 door Martin Cheek en Matthew Jebb beschreven in het tijdschrift Blumea, op basis van één enkel herbariumexemplaar dat in 2000 in Midden-Sulawesi was verzameld. De naam eert Mary Mendum (1945–2004), botanicus aan de Royal Botanic Garden Edinburgh. De beschrijving laat zien hoe herbariumonderzoek nog steeds nieuwe soorten kan opleveren: het exemplaar lag al jaren in een collectie voordat het als iets nieuws werd herkend.

Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.

Herkenning

Een kleine klimplant tot ongeveer twee meter, met ronde stengels en leerachtige, zittende, lancetvormig-langwerpige bladeren van 14 tot 21,5 cm lang en ongeveer 3 cm breed. Stengels en bladeren dragen korte, uitstaande lichtbruine haren en kleine, platte klieren. De bekende bovenbekers zijn cilindrisch, 11 tot 15 cm hoog en 2 tot 3 cm breed, groen en licht paarsrood aangelopen, met gefranjerde vleugels over de hele lengte, wat bij bovenbekers ongewoon is. De mond is ruitvormig en het peristoom zeer smal, minder dan een millimeter, met mesvormige richels. Het deksel is eirond-elliptisch, staat onder een hoek van ongeveer 45 graden omhoog en is aan de onderzijde kort behaard. Onderbekers zijn niet bekend.

Gelijkende soorten

De beschrijvers plaatsen de soort in de sectie Tentaculatae, de groep rond Nepenthes tentaculata, waartoe op Sulawesi ook N. glabrata, N. hamata, N. nigra, N. pitopangii en N. undulatifolia behoren. N. maryae onderscheidt zich onder meer door de korte haren aan de onderzijde van het deksel en door schutblaadjes aan ongeveer driekwart van de bloemen. Het typemateriaal werd verzameld op een plek waar ook N. eymae, N. nigra en N. tentaculata groeiden; bij een nieuw bezoek is het dus zaak de planten nauwkeurig te vergelijken.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil met een ongewoon smal peristoom en een deksel dat vrij steil omhoog staat. Het mesvormige peristoom met nectarklieren wordt glad als het nat is; de onderzijde van het deksel is dicht bezet met nectarklieren, die insecten boven de mond lokken. De gefranjerde vleugels over de hele lengte van de bovenbeker kunnen als looppad voor mieren en andere klimmende dieren dienen. Omdat alleen herbariummateriaal bekend is, zijn er geen waarnemingen van de vangst in het veld. Onderzoek aan andere soorten van het geslacht heeft laten zien dat het peristoom werkt door 'aquaplaning': een dun waterlaagje op het fijn geribbelde oppervlak maakt het zo glad dat de hechtkussentjes van insectenpoten er geen vat meer op krijgen. De val werkt dus het best als het vochtig is, wat in nevelwoud bijna altijd het geval is.

Standplaats en ecologie

Het enige bekende exemplaar werd verzameld op 2100 m hoogte in submontaan, bemost bos (B1), samen met andere kannenplanten. Dat wijst op het koele, vochtige nevelwoud van de hoge bergen van Midden-Sulawesi, met dikke moslagen en een zure, voedselarme bodem. Verdere standplaatsgegevens ontbreken. Voor een kannenplant is zo'n standplaats gunstig: de voortdurende vochtigheid houdt de bekers gevuld en het peristoom glad, terwijl de arme bodem weinig stikstof en fosfor levert, zodat de extra voeding uit prooi een echt voordeel geeft.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Sulawesi en alleen bekend van de ene vindplaats in de provincie Midden-Sulawesi. Dat stemt overeen met de aanduiding 'Sulawesi' in de eigen soortenlijst, maar het bekende gebied is in feite één punt. Of de soort op meer bergen voorkomt, is onbekend. Sulawesi ligt ten oosten van de lijn van Wallace, in de overgangszone tussen de Aziatische en de Australische flora en fauna, en telt veel minder kannenplanten dan Borneo; des te opvallender is dat een groot deel van de soorten op het eiland endemisch is.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Van een soort die van één herbariumexemplaar bekend is, valt over variatie niets te zeggen. Er zijn geen variëteiten of wilde vormen beschreven en geen natuurlijke hybriden gemeld. Omdat de plant samen met verwante soorten werd verzameld, is het denkbaar dat later onderzoek de status van het exemplaar opnieuw bekijkt. Zoals alle kannenplanten is de soort tweehuizig: er zijn mannelijke en vrouwelijke planten, en voor zaadzetting moeten beide in bloei staan. De kleine, onopvallende bloemen staan in trossen of pluimen en worden door insecten bestoven; de zaden zijn licht en worden door de wind verspreid.

Waar en wanneer te zien

Er zijn voor zover bekend geen gepubliceerde veldwaarnemingen van levende planten. Wie in het hoge bergbos van Midden-Sulawesi op ongeveer 2000 m werkt, kan letten op kleine, cilindrische bovenbekers met gefranjerde vleugels over de hele lengte, een zeer smal peristoom en een steil opgericht, aan de onderzijde behaard deksel. Een goed gedocumenteerde vondst, met foto's en herbariumbewijs via een Indonesische instelling, zou van grote waarde zijn.

Staat van instandhouding

Er is geen IUCN-beoordeling van deze soort (Not Evaluated). Wat bekend is: de soort is van één exemplaar en één plek bekend, en er is geen informatie over populatiegrootte of bedreigingen. Een volledige beoordeling zou pas mogelijk worden als de plant in het veld wordt teruggevonden. Als lid van het geslacht Nepenthes staat ze in CITES bijlage II.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes maryae | Cheek & Jebb, 2016

Nepenthes maryae werd in 2016 beschreven door Martin Cheek en Matthew Jebb, in "A new section in Nepenthes (Nepenthaceae) and a new species from Sulawesi" (Blumea 61: 59-62), op basis van een enkel herbarium-exemplaar dat in 2000 op een niet nader genoemde berg in centraal Sulawesi werd verzameld, op 2100 m hoogte, waar de soort in submontaan mosbos groeide. Een niet nader bekendgemaakte berg in centraal Sulawesi, Indonesië, op 2100 m hoogte. De soortsnaam gedenkt Mary Mendum (geboren Bates, 1945-2004), botanicus bij de Royal Botanic Garden Edinburgh.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.