Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes macrovulgaris

Nepenthes macrovulgaris

Een specialist van de ultramafische bodems van Sabah, waar serpentijn- en peridotietgesteente aan de oppervlakte komt. Nepenthes macrovulgaris werd in 1988 beschreven door J.R. Turnbull en A.T. Middleton, die in de jaren tachtig ook een reeks nieuwe soorten van Sulawesi beschreven. De plant groeit op open, schrale plekken waar weinig andere planten het uithouden: struikgewas, aardverschuivingen en rotswanden op grond die van nature giftig is voor de meeste gewassen. Op zulke plekken vormt ze vaak grote kruipende matten met talrijke gedrongen onderbekers.

Nepenthes macrovulgaris
Foto: Hilary Green — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een klimplant die tot zes meter hoog kan klimmen, maar vaak ook over de grond kruipt. De stengels zijn 5 tot 9 mm dik en bij volwassen planten kaal; jonge bekers dragen korte, fijne haren. De bladeren zijn papierachtig, tot ongeveer 30 cm lang, langwerpig tot lijnvormig, met twee tot drie lengtenerven aan elke kant. Het meest gezien worden de onderbekers: gedrongen, opgeblazen tot cilindrisch, 9 tot 23 cm lang en tot 9 cm breed, met een cilindrisch tot afgeplat peristoom. Ze zijn groen tot bruin, en de gespikkelde vorm is de meest voorkomende. Bovenbekers worden veel minder vaak gevormd, zijn minder opgeblazen en 12 tot 16 cm hoog. Het deksel is eirond tot elliptisch, tot ruim 5 cm. Het verschil tussen onder- en bovenbekers hangt samen met de groeifase: jonge planten en rozetten vormen onderbekers, en pas als de stengel gaat klimmen verschijnen bovenbekers, waarvan de rank zich vaak om een steun windt.

Gelijkende soorten

In uiterlijk lijkt N. macrovulgaris op Nepenthes hirsuta, Nepenthes hispida en Nepenthes philippinensis, maar moleculair onderzoek laat zien dat die gelijkenis bedrieglijk is: de naaste verwant is Nepenthes reinwardtiana, een soort met twee karakteristieke 'oogvlekken' op de binnenwand van de beker. Van de behaarde soorten onderscheidt N. macrovulgaris zich door de kale volwassen stengels en de standplaats op ultramafische grond. Op het terrein kan ze naast Nepenthes rajah en Nepenthes tentaculata groeien, die er weinig op lijken.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil die grotendeels op de grond werkt: omdat de plant vaak kruipt en weinig bovenbekers vormt, liggen de meeste bekers op of vlak boven de bodem en vangen ze vooral lopend gedierte zoals mieren. Nectar op het peristoom en onder het deksel lokt de prooi; op het natte peristoom verliezen de dieren hun grip. Onderin staat de verteringsvloeistof. Op voedselarme ultramafische grond, waar stikstof en fosfor schaars zijn, levert de vangst een belangrijk deel van de voedingsstoffen. Een prooistudie specifiek voor deze soort is voor deze gids niet gevonden.

Standplaats en ecologie

Struikgewas, aardverschuivingen en rotswanden op ultramafische bodem, vaak met Casuarina, tussen ongeveer 300 en 1200 m hoogte (R3, B5). Ze groeit ook op open plekken in submontaan bos en bemost bos. Ultramafisch gesteente geeft een bodem die rijk is aan magnesium, nikkel en chroom en arm aan calcium en fosfor; het bos blijft er laag en open, en juist daar vindt de lichtminnende kannenplant haar ruimte.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Borneo en beperkt tot Sabah, waar ze voorkomt op ultramafische terreinen zoals rond de Kinabalu en de Tambuyukon, in de Tawai- en Meliau-ketens, en rond de Silam bij Lahad Datu. Dat stemt overeen met 'Borneo, Sabah', maar de toevoeging 'Kinabalu' in de eigen soortenlijst geeft een te smal beeld: de Kinabalu is slechts een van de vele groeiplaatsen.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 5 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen variëteiten beschreven. Er is wel kleurvariatie: van effen groen tot bruin, met de gespikkelde vorm als meest gewone. Natuurlijke hybriden zijn gemeld met N. albomarginata, N. rajah, N. reinwardtiana en N. tentaculata; de kruising met N. rajah is een zeldzaamheid die alleen op gedeelde ultramafische terreinen voorkomt. Zoals alle kannenplanten is de soort tweehuizig: er zijn mannelijke en vrouwelijke planten, en voor zaadzetting moeten beide in bloei staan. De kleine, onopvallende bloemen staan in trossen of pluimen en worden door insecten bestoven; de zaden zijn licht en worden door de wind verspreid.

Waar en wanneer te zien

Ultramafische terreinen zijn in het veld vaak al te herkennen aan de lage, open begroeiing en de roodbruine grond. De Silam bij Lahad Datu heeft een weg en wandelpaden naar de top, en rond de Kinabalu zijn ultramafische hellingen deels vanaf de paden te zien. Kijk op open plekken en langs aardverschuivingen naar grote matten met gedrongen, gespikkelde onderbekers op de grond.

Staat van instandhouding

De IUCN Rode Lijst beoordeelt de soort als niet in gevaar (Least Concern). Ze komt op een reeks ultramafische terreinen in Sabah voor, waarvan een aantal in beschermde gebieden ligt, en verdraagt verstoring zoals aardverschuivingen goed. Ultramafische gronden zijn wel gevoelig voor mijnbouw en brand. Als lid van het geslacht Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II, zodat internationale handel een vergunning vereist. Voor liefhebbers is het goed te weten dat vrijwel alle soorten van het geslacht inmiddels via weefselkweek beschikbaar zijn; wie een plant wil kweken, heeft geen wilde planten nodig.

Wetenschappelijke naam

Nepenthes macrovulgaris | Turnbull & Middleton, 1988

Nepenthes macrovulgaris werd in 1988 beschreven door John R. Turnbull en Anne T. Middleton, in Botanical Journal of the Linnean Society 96(4): 351-358. De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald; de soort is beperkt tot ultramafische habitats in Sabah, Maleisisch Borneo, met vindplaatsen op onder meer de bergen Kinabalu en Tambuyukon, in de Danum Valley en op de Tawai- en Meliau-bergketens en de berg Silam, op 300-1200 m hoogte. De naam combineert Griekse en Latijnse elementen: de beschrijvers kozen hem om een relatief grote plant aan te duiden en om aan te geven dat geen enkel afzonderlijk kenmerk deze soort uniek onderscheidt van alle andere. Het element "vulgaris" betekent hier niet "algemeen voorkomend", maar weerspiegelt de informele benaming die verzamelaars en kwekers al in het veld gebruikten.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.