Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes mantalingajanensis
Nepenthes mantalingajanensis
Mount Mantalingahan is met 2085 m de hoogste berg van Palawan, het lange, smalle eiland in het westen van de Filipijnen. Op de bovenste hellingen en de top groeit een kleine, gedrongen kannenplant die in 1992 voor het eerst werd verzameld door George Argent en E. M. Romero, op 1700 m, en in 2007 door Joachim Nerz en Andreas Wistuba werd beschreven in het Duitse tijdschrift Das Taublatt. Nepenthes mantalingajanensis hoort bij een groep kannenplanten van de Palawaanse en Mindanaose bergen met grote, gezwollen grondbekers en een breed, getand peristoom.

Herkenning
Een compacte rozet of een korte, stijve, rechtopstaande plant van dertig tot zestig centimeter; klimstengels zijn in het veld nauwelijks gezien. De bladeren zijn breed lancetvormig, tot 20 cm lang en 6 cm breed, met een spitse of stompe top, aan een bladsteel tot zeven centimeter; de ranken worden tot dertig centimeter lang en zijn groen, geel, oranje of rood. De onderbekers zijn eivormig tot amfoorvormig, tot 15 cm hoog en 6,5 cm breed, met twee gefranjerde vleugels met draden tot vijf millimeter. Het peristoom is los cilindrisch en breed, tot twee centimeter, met tanden tot vijf millimeter aan de binnenrand. Het deksel is hartvormig met een ronde of spitse top, tot vijf bij vier centimeter; het spoor is smal en tot acht millimeter. De bekers zijn aan de buitenkant geelgroen of oranje, binnenin geel of oranje en vaak donker gevlekt; het peristoom varieert van geel tot donker roodpaars en is vaak gestreept. Bovenbekers zijn bij veldonderzoek aan honderden planten niet gevonden en worden dus zelden of nooit gemaakt. De mannelijke bloemen gaan geel open, worden later donkerrood en ruiken zwak zoet.
Gelijkende soorten
De naaste verwanten zijn de andere bergkannenplanten van Palawan, Nepenthes attenboroughii, Nepenthes deaniana, Nepenthes leonardoi en Nepenthes mira, en Nepenthes peltata van Mindanao. Van die soorten onderscheidt Nepenthes mantalingajanensis zich door de kleinere gestalte en de smallere bladschijf met een meestal spitse top. Elk van de Palawaanse verwanten is aan een eigen berg of bergkam gebonden, zodat de vindplaats al veel zegt: op Mantalingahan boven 1700 m is een kleine rozetplant met gezwollen, getande bekers deze soort. De oppervlakkige gelijkenis met Nepenthes erucoides van Dinagat wordt toegeschreven aan vergelijkbare milieuomstandigheden, niet aan verwantschap.
De val en hoe hij werkt
Een valkuil die vrijwel alleen als grondbeker bestaat. De gezwollen, amfoorvormige bekers staan in of op het strooisel van het struweel, met gefranjerde vleugels als looppad; het brede peristoom met zijn lange tanden aan de binnenrand vormt een gladde, overhangende rand. Bij de verwante soorten van Palawan en Mindanao is dat brede, getande peristoom een algemeen kenmerk van bergsoorten die hoofdzakelijk op de grond vangen. De vangst bestaat bij dergelijke grondbekers doorgaans vooral uit lopend gedierte, maar voor deze soort zijn er geen gepubliceerde prooigegevens. Dat de plant geen bovenbekers maakt, past bij haar lage groeiwijze tussen struikgewas.
Standplaats en ecologie
Gedrongen bovenmontaan bos en struweel tussen 1700 m en de top op 2085 m (B1, R5), waar de soort algemeen is op open hellingen, meestal in de volle zon. Op de top zelf zijn de planten sterk gedrongen en groeien ze tussen subalpien struikgewas. De verwante soorten van Palawan en Mindanao groeien op ultramafische bodems, en de beschrijvers van Nepenthes erucoides vergelijken haar met de ultramafische bergsoorten van Palawan (R3); hoe streng de soort zelf aan die bodem gebonden is, is niet gepubliceerd. Waar bamboe dicht opgroeit, verdwijnt de soort: ze wordt er kennelijk door weggeconcurreerd.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Mount Mantalingahan in het zuiden van Palawan. De aanduiding in onze soortenlijst klopt. Herbariumgegevens noemen de toegang vanaf Brooke's Point aan de oostkust. De soort komt voor van 1700 m tot de top.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten beschreven. De kleur varieert duidelijk: de bekers zijn geelgroen tot oranje, het peristoom van geel tot donker roodpaars en vaak gestreept, en de ranken groen, geel, oranje of rood. Planten op de top blijven kleiner en gedrongener dan planten lager op de hellingen. Natuurlijke hybriden zijn in de geraadpleegde literatuur niet vermeld.
Waar en wanneer te zien
Mount Mantalingahan ligt in een beschermd landschap en is een lange, zware tocht door bos zonder gebaande route; een expeditie vraagt vergunningen, lokale gidsen en meerdere dagen. Boven 1700 m, op open hellingen en in het struweel naar de top, is de soort algemeen en groeit ze in de zon; kijk tussen de lage struiken naar gele tot oranje amfoorvormige bekers met een brede, gestreepte rand. In de dichte bamboebegroeiing hoef je niet te zoeken.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern). De populatie is groot, met honderden planten op open hellingen, en de vindplaats is afgelegen en beschermd: Mount Mantalingahan heeft de status van beschermd landschap. Zoals alle Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes mantalingajanensis | Nerz & Wistuba, 2007
Nepenthes mantalingajanensis werd in 2007 beschreven door Joachim Nerz en Andreas Wistuba, in "Nepenthes mantalingajanensis (Nepenthaceae), eine bemerkenswerte neue Spezies aus Palawan (Philippinen)" (Das Taublatt 55(3): 17-25). Het holotype (J. Nerz & A. Wistuba P001) ligt in het herbarium van het Institut für Biologie I, Universiteit van Tübingen (TUB). Het topgebied van de berg Mantalingajan, de hoogste top van het eiland Palawan, Filipijnen, op 1700 m hoogte. De soortsnaam is afgeleid van de berg Mantalingajan, waar de soort endemisch is, met het gelatiniseerde locatie-achtervoegsel "-ensis".
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.