Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes burkei
Nepenthes burkei
Een van de oudst bekende kannenplanten van de Filipijnen, en een soort die door een kwekerij de wereld in kwam. David Burke verzamelde planten op Mindoro voor de Londense kwekerij Veitch, en in 1889 beschreef Maxwell Masters ze in The Gardeners' Chronicle als Nepenthes burkei. Het lectotype is een plant die in Engeland uit dat materiaal was opgekweekt. Pas veel later werd de soort in de natuur beter gedocumenteerd, en in de Flora Malesiana van 2001 kreeg ze haar huidige omgrenzing.



Herkenning
Een klimplant van een tot twee meter, op de grond of epifytisch, met een ronde, kale stengel van ongeveer vier millimeter dik. De bladeren zijn zittend, papier- tot leerachtig, smal omgekeerd lancetvormig tot langwerpig, 8,5 tot 26 cm lang en 1,2 tot 3 cm breed, met vier lengtenerven aan weerszijden en zijnerven die haaks op de middennerf staan. Bladeren aan de klimstengel zijn korter en meer langwerpig. Onderbekers zijn niet bekend en worden volgens de Flora Malesiana niet gemaakt. De bovenbekers zijn breed cilindrisch, 10 tot 17,5 cm hoog, onderaan tot 8 cm breed, halverwege ingesnoerd tot ongeveer 4 cm en onder het peristoom weer wijder; de vleugels zijn teruggebracht tot smalle richels zonder franje. Ze zijn dof groen met roodpaarse vlekken; binnenin wasachtig geel, soms violet getint en met een blauwige waslaag. Het peristoom is diep rood, afgeplat en elf à twaalf millimeter breed, met grove ribben, een golvende buitenrand en grove tanden aan de binnenrand. Het deksel is elliptisch, 4 tot 6 cm, even groot als de mond, zonder aanhangsels.
Gelijkende soorten
De naaste verwanten zijn Nepenthes ventricosa van Luzon en vooral Nepenthes sibuyanensis van Sibuyan. Nepenthes ventricosa heeft bekers met een veel sterkere taille, glanzend geelwit gekleurd, en een deksel dat veel kleiner is dan de mond; bij Nepenthes burkei is de taille minder uitgesproken, de beker groen gevlekt en het deksel even groot als de mond. Nepenthes sibuyanensis heeft zware bekers zonder taille. Op Mindoro zelf is deze combinatie van een getailleerde, gevlekte beker met een breed rood peristoom kenmerkend.
De val en hoe hij werkt
Een valkuil die, bij gebrek aan onderbekers, geheel uit luchtbekers bestaat: ook de bekers die de grond raken zijn van het bovenste type, zonder franjevleugels. Het brede, afgeplatte rode peristoom met zijn grove ribben, tien tot vijftien fijne streepjes tussen elke twee ribben en grove binnentanden, vormt een brede gladde rand. De wasachtige gele binnenwand met blauwige waslaag voorkomt dat gevangen insecten weer omhoog klimmen. Onder het deksel liggen dwars-elliptische nectarklieren van een halve tot ruim een halve millimeter, iets verheven maar zonder rand. Gegevens over de prooi ontbreken.
Standplaats en ecologie
Bergbos tussen ongeveer 1300 en 1600 m (B1), volgens de Flora Malesiana; andere bronnen noemen een ruimere marge, van 1100 tot 2000 m. De plant groeit op de grond of epifytisch. Over de bodem is in de geraadpleegde literatuur niets specifieks vermeld; de Flora Malesiana merkt op dat nadere gegevens over het leefgebied ontbreken.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op de Filipijnen. Mindoro is het klassieke gebied, met herbariumcollecties onder meer van Mount Halcon in Oriental Mindoro en de bovenloop van de Subaan bij San Teodoro. De Flora Malesiana vermeldt de soort daarnaast van Panay. De aanduiding 'Mindoro' in onze soortenlijst klopt dus, maar is niet volledig. Enkele herbariumetiketten die de soort van elders noemen, onder meer van Mindanao, berusten waarschijnlijk op verwisseling of op een ruimere opvatting van de soort en zijn hier niet meegeteld.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
In de negentiende eeuw werden twee variëteiten beschreven, prolifica in 1890 en excellens in 1897, beide naar gekweekte planten; ze worden nu niet meer onderscheiden en gelden als synoniemen. Historische bronnen hebben de soort ook als hybride opgevat, maar in de oorspronkelijke beschrijving staat daar niets over. In het wild varieert de beker vooral in de mate van vlekking en de breedte van de voet.
Waar en wanneer te zien
Mount Halcon in Oriental Mindoro is een bekende maar zware beklimming door ongerept bos; de soort groeit er in de bemoste bergbossen boven ongeveer 1300 m. Kijk in de struiken en op bomen naar breed getailleerde, groen-met-rood gevlekte bekers met een brede, bloedrode rand. Een tocht op Halcon vraagt toestemming van de lokale overheid en een gids; het gebied is ook het land van de Mangyan.
Staat van instandhouding
De soort is nog niet door de IUCN beoordeeld (Not Evaluated). Een formele beoordeling ontbreekt dus, en ook de Flora Malesiana-behandeling geeft er geen. Wat bekend is: de soort komt voor op ten minste twee eilanden en op meerdere bergen, in bergbos dat op Mindoro deels nog uitgestrekt is. De bossen op Mindoro staan wel onder druk van ontginning in de lagere zones. Zoals alle Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes burkei | Veitch ex Masters, 1889
Nepenthes burkei werd in 1889 beschreven door Maxwell Tylden Masters, als "New or noteworthy plants. Nepenthes Burkeii" in The Gardeners' Chronicle, serie 3, deel 6, nr. 149, p. 492-493. Het eiland Mindoro, Filipijnen, op 1100-2000 m hoogte; een specifiekere typelocatie dan dit eiland is niet met zekerheid vast te stellen uit de toegankelijke bronnen. De soort is vernoemd naar de Britse plantenverzamelaar David Burke.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.