Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes boschiana
Nepenthes boschiana
Een van de oudste namen in het geslacht die van Borneo stamt: Nepenthes boschiana werd in 1839 beschreven door Pieter Willem Korthals, de Nederlandse botanicus die in dienst van de Natuurkundige Commissie in Nederlands-Indië reisde, in zijn verhandeling 'Over het geslacht Nepenthes'. De naam eert Johannes van den Bosch, toenmalig gouverneur-generaal. De plant komt uit het Meratusgebergte in het zuidoosten van Borneo, en de mensen daar kenden haar lang voordat Europeanen haar beschreven: in oude bronnen wordt de volksnaam 'daoen sompitan' vermeld, 'blaaspijpblad', en ongeopende bekers werden gebruikt tegen ontstoken ogen. Het is een forse soort met lange, gewaisterde bekers.

Herkenning
Een struik of klimplant tot ongeveer vijf meter. Aan korte scheuten zitten brede, langwerpige bladeren tot 28 cm lang en 10 cm breed; aan de klimscheuten worden ze smaller en lancetvormig, 16 tot 26 cm lang. De onderbekers zijn 17 tot 22 cm lang en hebben een kenmerkende taille: de onderste helft is ellipsoïde en ongeveer 4 cm breed, halverwege versmalt de beker tot zo'n 2 cm, en de bovenste helft is cilindrisch tot licht trechtervormig. Over de voorzijde lopen twee smalle, gefranjerde vleugels. De bovenbekers zijn 15 tot 30 cm hoog, hebben in plaats van vleugels alleen twee richels, en een peristoom waarvan de buitenrand golvend is, met tot zeven lobben aan elke kant. Het deksel is rond, tot ruim 6 cm, met een kiel langs de middennerf.
Gelijkende soorten
De naaste verwant is volgens de meeste auteurs Nepenthes faizaliana uit Sarawak. Binnen het N. maxima-complex, waartoe ook N. chaniana, N. epiphytica en N. platychila behoren, onderscheidt N. boschiana zich door de gewaisterde onderbekers en het peristoom met golvende, gelobde buitenrand. Historisch is de naam vaak verkeerd toegepast: verschillende planten van elders op Borneo en Sumatra zijn in de negentiende en twintigste eeuw als N. boschiana gedetermineerd. De in 1989 beschreven N. borneensis geldt als synoniem.
De val en hoe hij werkt
Een valkuil met de voor het geslacht gebruikelijke opbouw: nectarklieren op het peristoom en onder het deksel lokken insecten, het geribbelde peristoom wordt glad als het vochtig is, en onderin verteert een vloeistof de prooi. De onderbekers, met hun vleugels, staan op de grond en vangen vooral lopend gedierte; de bovenbekers hangen hoger en vangen meer vliegende insecten. De taille van de onderbekers, waar de wand zich versmalt, zou een ontsnappende prooi het terugklimmen kunnen bemoeilijken, maar dat is niet onderzocht. Een prooistudie van deze soort is niet gepubliceerd. Onderzoek aan andere soorten van het geslacht heeft laten zien dat het peristoom werkt door 'aquaplaning': een dun waterlaagje op het fijn geribbelde oppervlak maakt het zo glad dat de hechtkussentjes van insectenpoten er geen vat meer op krijgen. De val werkt dus het best als het vochtig is, wat in nevelwoud bijna altijd het geval is.
Standplaats en ecologie
Open, laag bos op bergkammen en hellingen, tussen ongeveer 780 en 1880 m (B1, B5). Flora Malesiana beschrijft de standplaats als open, dwergachtig bos op kalkheuvels; negentiende-eeuwse verslagen spreken van 'kale, open en stenige' grond. Kenmerkend is in elk geval de combinatie van veel licht, een schrale bodem en de vochtige lucht van de bergen. Omdat de geologie van het Meratusgebergte gevarieerd is en de bronnen elkaar hier niet volledig dekken, is voor deze gids geen rotscode toegekend.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Borneo en beperkt tot het Meratusgebergte in de provincie Zuid-Kalimantan, waar de soort van enkele toppen bekend is. Dat stemt overeen met de aanduiding in de eigen soortenlijst. Omdat de soort bedreigd is, geeft deze gids geen nauwkeurigere vindplaatsen.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten of vormen geldig beschreven. De kleur van de bekers varieert van groen tot geelgroen met meer of minder rode tot paarse vlekken, en planten in open standplaatsen kleuren sterker. Natuurlijke hybriden van N. boschiana zijn niet bekend.
Waar en wanneer te zien
Het Meratusgebergte is een lange, beboste keten in het zuidoosten van Kalimantan, waar de Dayak Meratus in dorpen aan de voet van de bergen leven; tochten naar de toppen worden met plaatselijke gidsen gemaakt. Zoek op open kammen en in laag bos naar de getailleerde onderbekers op de grond en de lange bovenbekers in de struiken. Deel vindplaatsen niet en neem niets mee: de soort is bedreigd en in de handel gewild.
Staat van instandhouding
De IUCN Rode Lijst beoordeelt de soort als bedreigd (Endangered). Het verspreidingsgebied is klein, beperkt tot één berggebied, en het Meratusgebergte staat onder druk van houtkap, mijnbouw en ontginning in de uitlopers. Bosbranden in droge jaren bedreigen ook de hogere delen. Als lid van het geslacht Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II, zodat internationale handel een vergunning vereist. Voor liefhebbers is het goed te weten dat vrijwel alle soorten van het geslacht inmiddels via weefselkweek beschikbaar zijn; wie een plant wil kweken, heeft geen wilde planten nodig.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes boschiana | Korthals, 1840
Nepenthes boschiana werd in 1839 beschreven door Pieter Willem Korthals in zijn monografie "Over het geslacht Nepenthes", ontdekt op de berg Sakoembang in een kaal, open en stenig habitat. De berg Sakoembang, endemisch gebied van de soort in het Meratusgebergte, Zuid-Kalimantan, Indonesisch Borneo. De soort is vernoemd naar Johannes van den Bosch (vandaar de Engelse bijnaam "Bosch's pitcher-plant"); de lokale Indonesische naam "daoen sompitan" betekent "blaaspijp-blad".
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.