Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes abgracilis
Nepenthes abgracilis
In april 1919 verzamelden de Filipijnse botanici Maximo Ramos en zijn collega Pascasio een kannenplant in de toenmalige provincie Surigao, in het noordoosten van Mindanao. Elmer Merrill, destijds de autoriteit op het gebied van de Filipijnse flora, zag er een vorm van Nepenthes gracilis in, de wijdverbreide laaglandsoort van Borneo en Sumatra. Bijna een eeuw later herkenden Martin Cheek en Matthew Jebb in het vel in het herbarium van Berkeley een eigen soort, en ze noemden haar naar die vergissing: abgracilis, 'van gracilis af'.
Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.
Herkenning
Een klimplant met een ronde, ongevleugelde stengel van zes à zeven millimeter dik en korte internodiën. De bladeren zijn zittend, leerachtig, smal omgekeerd lancetvormig tot langwerpig, 23 tot 29 cm lang en slechts 2,6 tot 3,1 cm breed; de voet omvat de stengel. Bekend zijn alleen de bovenbekers: bijna cilindrisch, ongeveer 16,4 cm hoog, het breedst aan de licht ellipsoïde voet met 5,5 cm, geleidelijk versmald tot 4,1 cm in het midden en daarboven weer wijder tot 5 cm onder het peristoom. Het peristoom is rond, ongeveer 2,5 mm breed, rood, met twee ribbels per millimeter en een binnenrand zonder tanden. Het deksel is eirond-elliptisch, ongeveer 5,2 bij 4 cm, aan de onderzijde rood aangelopen en met een smalle lijst aan de voet, en draagt meer dan honderd ronde nectarklieren. Onder- en tussenbekers, bloeiwijzen en vruchten zijn onbekend.
Gelijkende soorten
De soort waarmee Merrill hem verwarde, Nepenthes gracilis, heeft een driekantige stengel, een zeer smal peristoom van ongeveer een halve millimeter met een getande binnenrand, en minder dan dertig nectarklieren onder het deksel. Nepenthes gracilis komt bovendien op de Filipijnen niet voor. Binnen de groep rond Nepenthes micramphora, waarin de beschrijvers de soort plaatsten, is Nepenthes abgracilis de grootste; Nepenthes micramphora zelf heeft kleine trechtervormige bekers en een vertakt spoor, en Nepenthes cid is een behaard dwergje met bekers van hooguit elf centimeter.
De val en hoe hij werkt
Een valkuil van de bovenbekersoort: hangend aan een rank, met een smalle, ronde, rode rand en een groot deksel dat de mond afschermt. Het deksel is de opvallendste component: met ruim honderd nectarklieren aan de onderzijde, rond tot licht elliptisch en ongeveer een halve tot bijna een millimeter groot, biedt het veel meer lokstof dan de kale dekselonderkant van Nepenthes gracilis. Het peristoom is aan beide randen strak ingerold. Of de bovenbekers vooral vliegende insecten vangen of ook mieren die langs de stengel omhoog lopen, is voor deze soort niet onderzocht.
Standplaats en ecologie
Het etiket vermeldt beboste submontane kammen op 670 m hoogte, vermoedelijk op ultramafisch gesteente (B1, R3). Het noordoosten van Mindanao en de eilanden ervoor zijn een van de grootste ultramafische gebieden van de Filipijnen, met een eigen flora van kannenplanten: Nepenthes merrilliana, Nepenthes mindanaoensis en Nepenthes truncata komen er voor. Of Nepenthes abgracilis strikt aan ultramafische bodem gebonden is, is onbekend.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Mindanao, en alleen bekend van de typecollectie uit de voormalige provincie Surigao, die nu is opgesplitst in Surigao del Norte en Surigao del Sur. Het etiket van 1919 noemt geen berg. Latere samenvattingen verbinden de vindplaats met Mount Legaspi in het noordoosten van Mindanao, maar in het deel van de beschrijving dat voor deze gids beschikbaar was, is die berg niet terug te vinden; de 'Mt. Legaspi' in onze soortenlijst is daarom als niet bevestigd te beschouwen.
- Inheems
Vormen en variatie
Van een soort die op één herbariumvel berust, is geen variatie bekend. De beschrijving vermeldt dat meer dan 95 procent van de nectarklieren onder het deksel van één type is, wat de soort ook binnen de micramphora-groep kenmerkt. Hybriden zijn niet bekend; er is simpelweg te weinig materiaal om daar iets over te zeggen.
Waar en wanneer te zien
Er is geen plek waar deze soort met zekerheid te vinden is. Wie in het noordoosten van Mindanao op beboste kammen rond 600 à 700 m rondloopt, kan uitkijken naar een klimmende kannenplant met lange, smalle bladeren en slanke, bijna cilindrische bekers met een dunne rode rand. Een goed gedocumenteerde waarneming, met foto's van de onderzijde van het deksel, zou de eerste levende vondst zijn en is voor de wetenschap waardevol; laat de plant staan en meld de vondst bij een Filipijns herbarium.
Staat van instandhouding
De soort is nog niet door de IUCN beoordeeld (Not Evaluated). De beschrijvers beoordeelden haar als ernstig bedreigd: er is één vindplaats bekend, in een deel van Mindanao waar grootschalige nikkelmijnbouw op ultramafische grond plaatsvindt. De soort is sinds 1919 niet meer verzameld. Zoals alle Nepenthes staat ze in CITES bijlage II.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes abgracilis | Jebb & Cheek, 2013
Beschreven door Martin Cheek en Matthew Jebb in 2013, in Phytotaxa, op basis van een holotype dat in april 1919 in de toenmalige provincie Surigao, Mindanao, Filipijnen, verzameld werd op 670 meter hoogte. De typelocatie ligt in de voormalige provincie Surigao, op het eiland Mindanao, Filipijnen. De naam "abgracilis" betekent "van/vergelijkbaar met gracilis" en verwijst naar een vroege verkeerde determinatie door de botanicus Elmer Drew Merrill, die een herbariumexemplaar van deze soort aanvankelijk als Nepenthes gracilis bestempelde.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.