Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Heliamphora ionasi

Heliamphora ionasi

Tussen de voet van Ilú-tepui en die van Tramen-tepui ligt een hoog dal dat de twee bergen met elkaar verbindt. Daar groeit Heliamphora ionasi, de soort met de grootste bekers van het hele geslacht: bladeren tot ongeveer een halve meter hoog. De plant werd in de jaren vijftig door de expeditie van Bassett Maguire gevonden, pas in 1978 formeel beschreven en daarna decennialang niet teruggezien, tot in 1998 opnieuw materiaal werd verzameld.

Heliamphora ionasi
Foto: Gabriele Zoppoli in kweek — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Heliamphora ionasi — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Andreas Eils — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een rozet van zeer grote, rechtopstaande bekers, elk gevormd uit één blad dat tot een trechter is dichtgegroeid met een naad aan de voorkant; ze worden tot ongeveer 50 cm hoog en zijn daarmee de grootste van het geslacht. De beker is onderaan smal en trechtervormig, halverwege buikig en verwijdt zich naar boven toe opnieuw, waardoor het silhouet een zandloper met afgeknotte top oplevert. In de wand zit een afwateringsopening die het regenwater op peil houdt. Bovenop de achterrand staat het nectarlepeltje, klein in verhouding tot het blad. De kleur loopt van groen met rode nerven tot bijna geheel rood bij planten in vol licht; oudere bekers verkleuren doorgaans het sterkst. De bloeiwijze is een eenzijdige tros op een lange steel die boven de rozet uitkomt, met knikkende, lichte bloemen.

Gelijkende soorten

Formaat is hier het eerste kenmerk: geen andere soort van het geslacht haalt deze bekergrootte, en een rozet van een halve meter in dit dal is in de praktijk al gedetermineerd. Op de omringende plateaus groeit Heliamphora nutans, van de Roraima-groep, die duidelijk kleiner is en een andere bekervorm heeft, met een minder uitgesproken buik. De kleine, matvormende soorten van het Chimantá-massief, Heliamphora minor en Heliamphora pulchella, zijn een orde van grootte kleiner en groeien honderd kilometer verderop. Met Sarracenia is verwarring geografisch uitgesloten, en bouwkundig ook: de brede kap ontbreekt en op die plaats staat alleen het kleine lepeltje.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil op formaat. Ook deze soort maakt zelf nauwelijks verteringsenzymen; bacteriën in de bekervloeistof doen het afbraakwerk en de plant neemt de vrijgekomen stikstof en fosfor op. Het nectarlepeltje aan de achterrand lokt met suikerhoudend vocht en staat precies boven de opening. De binnenwand heeft in de bovenste zone naar beneden gerichte haren en daaronder een gladde zone, zodat een insect dat wegglijdt niet terug omhoog komt. Het grote bekervolume betekent dat een enkele val een aanzienlijke hoeveelheid vloeistof en prooi kan bevatten — bij deze soort is de afwateringsopening dan ook geen bijzaak, want zonder afvoer zou de beker bij de dagelijkse regen overstromen.

Standplaats en ecologie

Het hoogplateau en het verbindingsdal tussen de twee bergen (R4). De planten staan in doorweekte laagten waar zure turf en veenmos zich hebben opgehoopt (W1) en in natte, open vegetatie langs de randen daarvan (W6). Het substraat is een dunne, permanent natte organische laag op zandsteen, extreem arm aan stikstof en fosfor en voortdurend uitgespoeld door regen. Het klimaat is koel en vrijwel permanent vochtig; wolken dekken het massief een groot deel van de dag af. Onder die omstandigheden is het opvallend dat juist hier de grootste bekers van het geslacht staan: het dal is blijkbaar beschut en constant genoeg om bladeren van een halve meter in stand te houden.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op het Ilú-Tramen-massief in de deelstaat Bolívar, Venezuela, met het zwaartepunt in het hoge dal tussen de beide bergen; ook van Karaurín-tepui is aanwezigheid gesuggereerd. De opgaven lopen van ongeveer 1800 tot 2600 m. Daarbuiten is de soort niet aangetroffen. Het geslacht als geheel is beperkt tot de tafelbergen van het Guyanaschild — Venezuela, westelijk Guyana en het uiterste noorden van Brazilië — en deze soort laat zien hoe smal zo'n verspreiding kan zijn: één massief, in hoofdzaak één dal.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Binnen de soort zijn geen variëteiten of ondersoorten beschreven. Wat varieert is kleur en bekergrootte tussen de groeiplaatsen in het dal, vermoedelijk samenhangend met lichtinval en waterhuishouding; die variatie draagt geen taxonomische naam. Natuurlijke hybriden zijn van deze soort niet formeel beschreven. In kweek is de soort lang zeldzaam gebleven en bestaat het merendeel van de planten uit nakomelingen van een klein aantal herkomsten, maar cultivars blijven in een veldgids buiten beschouwing — ze zeggen niets over de wilde populaties.

Waar en wanneer te zien

Het massief is alleen per helikopter of via een lange tocht bereikbaar, ligt binnen het Nationaal Park Canaima en wordt in de praktijk met vergunning en gids bezocht. Wie in het dal staat, kan de soort niet missen: dit is een van de weinige bekerplanten die men van tientallen meters afstand als individuele plant herkent. Let op de verhouding tussen blad en lepeltje — juist doordat de beker zo groot is, oogt het nectarlepeltje opvallend klein, wat op foto's een betrouwbaarder aanwijzing is dan de absolute maat. De bloeitijd is niet in de literatuur vastgelegd.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de IUCN-Rode Lijst, en niet vermeld in enige CITES-bijlage. Bekend is dat de soort beperkt is tot één massief en daarbinnen vooral tot één dal, wat haar kwetsbaar maakt voor iedere gebeurtenis die dat gebied treft; de lange periode tussen de eerste vondst en de herontdekking in 1998 laat bovendien zien hoe weinig waarnemingen er zijn om een trend op te baseren. Daar staat tegenover dat het gebied binnen een nationaal park en werelderfgoedgebied ligt en zonder vergunning niet toegankelijk is, en dat de soort in het dal plaatselijk talrijk is. Verzameling voor de handel geldt als het genoemde risico voor het geslacht, maar kweekmateriaal komt inmiddels vrijwel uitsluitend uit zaad en weefselkweek. Het ontbreken van een beoordeling betekent hier dus geen vastgestelde achteruitgang, maar een leemte in de waarnemingen.

Wetenschappelijke naam

Heliamphora ionasi | Maguire, 1978

Beschreven door Bassett Maguire in 1978, in "Sarraceniaceae (Heliamphora). The Botany of the Guyana Highland Part–X", gepubliceerd in Memoirs of the New York Botanical Garden. Het typegebied ligt op het plateau tussen Ilú-tepui en Tramen-tepui in Venezuela; het materiaal werd verzameld tijdens de expeditie van William H. Phelps jr. naar Ilú-tepui in 1952. De soortnaam ionasi is de gelatiniseerde vorm van "Jonah" en eert Jonah Boyan, een lid van Maguires expeditieteam. De naam wordt in de literatuur regelmatig foutief als "ionasii" gespeld, maar "ionasi" is de correcte vorm.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.