Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Heliamphora pulchella

Heliamphora pulchella

Van alle bekerplanten van de tafelbergen is Heliamphora pulchella een van de kleinste, en de soortnaam — Latijn voor 'sierlijk' — is voor één keer geen overdrijving. De plant groeit op het Chimantá-massief en op een reeks omliggende tepuis, waar de rozetten in doorweekte veenkussens en spleten dichte, lage matten vormen die van een afstand eerder op mos dan op vleesetende planten lijken.

Heliamphora pulchella
Foto: Dals093838 in kweek — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Heliamphora pulchella — de bloem
De bloem · Foto: Andreas Eils — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Heliamphora pulchella — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Michal Klajban in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een rozet van betrekkelijk kleine, rechtopstaande bekers, elk uit één blad gevormd dat tot een trechter is dichtgegroeid met een naad aan de voorkant. Twee kenmerken maken de soort herkenbaar. Ten eerste het nectarlepeltje: dat zit breed aan de achterrand van de beker vast in plaats van op een dun steeltje te staan, zodat het als een kapje op de beker lijkt te zitten. Ten tweede de binnenkant van de beker, die bij de meeste populaties dicht bezet is met opvallende, naar beneden gerichte vasthoudhaartjes; bij fel licht kleurt de hele beker dieprood, waarbij het haarveld als een fluwelige laag zichtbaar blijft. In de schaduw blijven de planten geelgroen tot roodgenerfd. De bloeiwijze is een eenzijdige tros op een dunne steel die ver boven de lage rozet uitsteekt, met knikkende, lichte bloemen waarvan de tepalen tijdens de bloei verkleuren en verharden.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Heliamphora minor van Auyán-tepui, en die twee zijn op foto's nauwelijks te scheiden. In het veld is de geografie beslissend: H. minor groeit alleen op Auyán-tepui, H. pulchella op het Chimantá-massief en de tepuis daaromheen. Bouwkundig is het verschil dat H. minor een lepeltje op een dun, tot 5 mm lang steeltje heeft en een vrijwel kale bekerbinnenkant, terwijl deze soort het lepeltje breed aangehecht en de binnenkant dicht behaard heeft. Op hetzelfde massief staat ook Heliamphora chimantensis, maar die is met bekers van 20 tot 35 cm veel groter, blijft egaal groen en heeft een rood lepeltje.

De val en hoe hij werkt

Een valkuil die klein is maar volledig uitgerust. De plant maakt zelf nauwelijks verteringsenzymen; bacteriën in de bekervloeistof breken de prooi — meest mieren en andere kleine insecten — af, en de plant neemt de vrijgekomen stikstof en fosfor op. Het nectarlepeltje scheidt suikerhoudend vocht af boven de opening en trekt het insect naar precies de verkeerde plek. De dichte vasthoudhaartjes aan de binnenwand zijn bij deze soort het meest uitgesproken onderdeel van de val: ze zijn allemaal naar beneden gericht, zodat een insect dat omlaag glijdt bij elke poging terug te klauteren opnieuw wordt afgeremd.

Standplaats en ecologie

De hoogplateaus van de tepuis (R4), een landschap van kaal zandsteen met laagten en spleten waarin zich zure turf en veenmos ophopen (W1). Daarnaast groeit de soort op natte rotswanden waar sijpelwater permanent langs de steen loopt en de wortels zich in een dunne laag organisch materiaal vasthouden (R1). Het substraat is in alle gevallen extreem arm aan voedingsstoffen en wordt door de hoge neerslag voortdurend uitgespoeld. Het klimaat is koel en vrijwel permanent vochtig; wolken dekken de plateaus een groot deel van de dag af, en juist op de beschaduwde, doorweekte plekken vormt de soort haar dichtste matten.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in de deelstaat Bolívar, Venezuela, op het Chimantá-massief — waaronder Abacapá, Akopán, Amurí, Churí, Murey, Tirepón en Toronó — en op een reeks tepuis daaromheen, zoals Angasima, Aprada, Araopán en Upuigma. De opgaven lopen van ongeveer 1850 tot 2550 m. Daarmee is dit een van de ruimer verspreide soorten van het geslacht, al blijft alles binnen één cluster van plateaus. Het geslacht als geheel is beperkt tot de tafelbergen van het Guyanaschild en hun randen, in Venezuela, westelijk Guyana en het noorden van Brazilië.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

De variatie tussen de plateaus is aanzienlijk en grotendeels naamloos. Het duidelijkst is de populatie van Amurí-tepui, waarbij de kenmerkende vasthoudhaartjes aan de binnenkant van de beker ontbreken; die planten zijn nog niet formeel beschreven en worden voorlopig binnen de soort gehouden. Verder verschillen de tepuis in de grootte van de rozetten en in kleur, van geelgroen via roodgenerfd tot vrijwel geheel dieprood bij planten in vol licht — verschillen die deels met lichtinval, deels met de berg samenhangen. Natuurlijke hybriden zijn van deze soort niet formeel beschreven, hoewel er op het massief een tweede soort van het geslacht groeit.

Waar en wanneer te zien

Alleen bereikbaar per helikopter of via een meerdaagse tocht, binnen het Nationaal Park Canaima, en in de praktijk uitsluitend met vergunning en gids. Wie boven staat, moet laag kijken: deze soort steekt niet boven de vegetatie uit maar vult de natte laagten en de voet van rotswanden met aaneengesloten, lage matten, waar grotere soorten juist opvallen. Het beste moment is een korte opklaring, wanneer de bekers in het directe licht oplichten en de rode planten zich scherp aftekenen tegen de groene in de spleten. Let ook op de dunne bloeistengels: die staan er vaak nog als de bloemen al verkleurd zijn en verraden de matten van veraf. De bloeitijd is niet in de literatuur vastgelegd.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de IUCN-Rode Lijst en staat op geen enkele CITES-bijlage; dat geldt voor het hele geslacht. Van de vijf soorten in deze reeks heeft zij het ruimste bekende verspreidingsgebied — een reeks plateaus in plaats van één berg — en zij vormt op de natte delen uitgestrekte, dichte matten, wat op omvangrijke populaties wijst. Het gebied ligt binnen een nationaal park en werelderfgoedgebied en is zonder vergunning niet toegankelijk, wat verzameling in de praktijk sterk beperkt; bovendien komen de planten in kweek vrijwel uitsluitend uit zaad en weefselkweek. Het ontbreken van een beoordeling weerspiegelt hier de ontoegankelijkheid van het gebied en de jonge naam, niet een vastgestelde achteruitgang.

Wetenschappelijke naam

Heliamphora pulchella | Wistuba, Carow, Harbarth & Nerz, 2005

Beschreven door Andreas Wistuba, Bernd Carow, Ulrike Harbarth en Joachim Nerz in 2005, in Das Taublatt 53(3): 42–50. Het typegebied ligt op het Chimantá-massief en omliggende tepuis in Venezuela. De soortnaam pulchella is Latijn voor "mooi, sierlijk" en verwijst naar het aantrekkelijke uiterlijk van deze kleine bekerplant.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.