Alle soorten › Anjerachtigen › Drosophyllaceae › Drosophyllum lusitanicum

Drosophyllum lusitanicum

Dewy pine

De enige vleesetende plant die niet met natte voeten staat maar op droge, stenige grond in de volle zon, tussen heide en kurkeik. Hij is van veraf te zien als een pol die glinstert, ruikt naar honing en vangt zonder ook maar iets te bewegen. Voor wie in Europa een vleeseter in het wild wil zien, is dit de bereikbaarste soort van deze gids.

Drosophyllum lusitanicum
Foto: Krzysztof Ziarnek, Kenraiz in kweek — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Drosophyllum lusitanicum — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: incidencematrix in kweek — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Drosophyllum lusitanicum — de bloem
De bloem · Foto: Javier martin — Public domain · Wikimedia Commons
Drosophyllum lusitanicum — de standplaats
De standplaats · Foto: Javier martin — Public domain · Wikimedia Commons

Herkenning

Een halfstruik met een aan de voet houtige, vaak vertakte stengel van 20 tot 35, hoogstens 45 cm, met bovenaan een bundel bladeren. De bladeren zijn draadvormig, 10 tot 20 cm lang en maar 2 tot 3 mm breed, driekantig in doorsnede, en dragen twee soorten klieren: rijen roodgesteelde klieren met een heldere druppel, en daartussen zittende kliertjes. Oude bladeren sterven af en blijven als een grijze rok om de stengel hangen. In het voorjaar staan er losse trossen grote gele bloemen; de kroonbladen zijn (18)20 tot 30 mm lang en 12 tot 18 mm breed, breed omgekeerd eirond. De vrucht is een eivormige doos die met drie tot vijf tanden openspringt.

Gelijkende soorten

Van een afstand lijkt de plant op een grove zonnedauw of, zonder bloem, op een pol russen. De zonnedauwen van het Iberisch schiereiland staan altijd op natte grond en hebben ronde of spatelvormige bladschijven op een steel; Drosophyllum staat op een droge helling en heeft lange, draadvormige, opgerichte bladeren. De gele bloem is in dit landschap het beste kenmerk: geen enkele andere vleeseter in Europa heeft er zo een. Wie er in het voorjaar bij staat, ziet het tweede kenmerk: het jonge blad rolt bij het uitlopen naar buiten open, van de knop af — andersom dan bij vrijwel alle andere planten, die hun blad naar binnen oprollen.

De val en hoe hij werkt

Een zuiver passieve lijmval. De gesteelde klieren dragen een dikke kleefdruppel die in de zon glanst en een zoete, honingachtige geur afgeeft; een insect dat erop landt zit vast, en hoe meer het spartelt, hoe meer druppels het raakt. Het blad zelf beweegt niet: geen tentakel buigt, geen rand krult om. Daarin verschilt hij wezenlijk van de vetbladen, waar de bladrand zich in de loop van uren om de prooi heen krult. Het verteren doet de tweede soort klieren, de zittende, die pas sap afscheiden als er werkelijk iets op ligt. De vangst is groot: aan een goede plant hangen tientallen vliegen, kevers en wespen tegelijk, en voor een plant op steengruis is dat de enige weg naar stikstof.

Standplaats en ecologie

Droge, arme, kalkvrije grond: open plekken in heide, kurkeikbos en dennenbos, op zand, grind of leisteen, vaak op enigszins verstoorde plaatsen als wegtaluds en oude brandvlaktes. Het klimaat is mediterraan, met een natte winter en een droge zomer; de plant wortelt diep en betrekt in de zomer vocht uit de nachtelijke zeenevel van de kust. Vuur helpt hem: na een brand ligt de grond open en kiemen de zaden massaal, tot het struweel zich na tien jaar weer sluit.

Verspreiding en hoogte

Het zuidwesten van Europa en het noordwesten van Afrika: Portugal, Spanje en Marokko, en verder nergens. Het zwaartepunt ligt in Portugal en in de provincies aan weerszijden van de Straat van Gibraltar; verspreid staat hij ook in het binnenland van Extremadura en in de bergen van Noord-Marokko. De verspreiding is sterk versnipperd — losse populaties op geschikte hellingen — en loopt in Iberië van zeeniveau tot ongeveer 1200 m.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 43 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Eén soort in het geslacht, één geslacht in de familie, en binnen de soort geen erkende variëteiten. Wat verschilt is de grootte van de plant en het aantal stengels, en dat hangt samen met de tijd sinds de laatste brand en met de diepte van de grond, niet met erfelijke vormen. Natuurlijke hybriden zijn er niet: er is geen verwante soort om mee te kruisen.

Waar en wanneer te zien

April tot juni, en het liefst 's ochtends vroeg: dan staan de gele bloemen open en glinsteren de druppels in het tegenlicht. De Serra de Monchique en de zuidwestkust van de Algarve in Portugal, en het heide- en kurkeikgebied van de provincie Cádiz in Spanje, zijn de bekendste streken. Hij staat er vaak op de bovenste meters van een wegtalud, zodat je hem vanaf de weg bekijkt zonder de vegetatie in te lopen. Zoek een terrein dat een paar jaar geleden heeft gebrand. Trek geen plant los om de wortel te zien: hij overleeft verplanten niet.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd op de wereldwijde Rode Lijst — die beoordeling ontbreekt eenvoudigweg, terwijl de soort een monotypische familie in haar eentje draagt. Wat er wel is, is een nationale beoordeling: Portugal rekent hem tot de kwetsbare soorten. Plaatselijk is hij algemeen, en één helling kan honderden planten dragen, maar het aantal plekken loopt terug: heide wordt omgezet in eucalyptus- en dennenaanplant, de kust wordt bebouwd, en het brandregime is op de ene plaats te vaak en op de andere te zelden geworden.

Wetenschappelijke naam

Drosophyllum lusitanicum | (Linnaeus) Link, 1805

Linnaeus beschreef de soort in 1753 in Species Plantarum als Drosera lusitanica, bij de zonnedauwsoorten. Heinrich Friedrich Link plaatste haar in 1805 in het nieuwe, eigen geslacht Drosophyllum — vandaar de haakjes om de auteursnaam. De typelocatie ligt in Portugal (Lusitania), waar de soort ook nu nog groeit, samen met verspreide populaties in Zuidwest-Spanje en Noord-Marokko. De geslachtsnaam Drosophyllum komt van het Griekse drosos ('dauw') en phyllon ('blad') en verwijst naar de glinsterende kleefdruppels op de bladeren — dezelfde herkomst als bij Drosera. De soortnaam lusitanicum betekent 'van Lusitania', de Romeinse provincie die ongeveer met het huidige Portugal overeenkomt.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.