Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera platystigma

Drosera platystigma

Een dwergzonnedauw met een van de opvallendste bloemen van het hele geslacht: glanzend oranje, met een zwart hart en zwarte nerven die als stralen uit het midden lopen. Drosera platystigma is wijdverspreid in het zuidwesten van West-Australië, maar zonder bloem een onopvallend roodbruin rozetje van hooguit twee centimeter.

Drosera platystigma
Foto: No machine-readable author provided. Denis Barthel assumed (based on copyright claims). — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een vlakke rozet tot 2 cm breed; met de bloeiwijze wordt de plant tot 6 cm hoog. De bladstelen zijn relatief breed en olijfgroen, de ronde bladschijfjes geelbruin tot baksteenrood. De bloemen zijn metaalachtig oranje met een zwart centrum en uitstralende zwarte nerven. Het beste kenmerk zit in het hart van de bloem: de stijlen en helmdraden zijn wit, en de stempels — meestal drie, soms tot vijf — zijn breed omgekeerd eirond met een ronde top, op verlengde stijlen. Daaraan dankt de soort haar naam: platys is 'breed', stigma 'stempel'. Bloei van oktober tot december.

Gelijkende soorten

Er zijn meer oranjebloeiende dwergzonnedauwen. De lastigste is Drosera hyperostigma, die dezelfde brede, omgekeerd eironde stempels op lange stijlen heeft; het verschil zit in de kleur van stijlen en helmdraden: zwart bij D. hyperostigma, wit bij D. platystigma. Andere oranje soorten, zoals D. miniata en D. leucoblasta, hebben smallere of anders gevormde stempels. Een loep is bij deze groep onmisbaar.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op miniatuurschaal. Elk bladschijfje, vaak niet groter dan een speldenknop tot enkele millimeters, draagt aan de rand en op de bovenzijde gesteelde klieren met een glinsterende, kleverige druppel; de randtentakels zijn meestal het langst. Een diertje dat de druppels raakt blijft vastzitten, waarna de tentakels zich naar het midden van het schijfje buigen en de prooi tegen de verterende klieren drukken. De klieren scheiden enzymen af en nemen stikstof, fosfor en mineralen op uit wat oplost. Door het formaat bestaat de vangst uit het allerkleinste: springstaarten, mijten, bladluizen, trips en minuscule muggen die over of vlak boven de zandbodem bewegen.

Standplaats en ecologie

Een ruime keuze aan bodems, maar meestal kleiige en zandige, vaak geelachtige grond of zand vermengd met lateriet (D3), in heide, struweel en open bosland (B5, B6). De soort is minder kieskeurig dan veel verwanten, wat haar brede verspreiding verklaart.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor het zuidwesten van West-Australië: van de kustvlakte rond Perth door de graangordel tot bij Albany en Ravensthorpe. FloraBase noemt de biogeografische regio's Avon Wheatbelt, Esperance Plains, Geraldton Sandplains, Jarrah Forest, Swan Coastal Plain en Warren. Hoogtegrenzen zijn niet gepubliceerd.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 37 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

De soort werd in 1844 beschreven door Johann Georg Christian Lehmann. Er worden geen ondersoorten of variëteiten onderscheiden. In het veld kan hij kruisen met verwante dwergsoorten; zo is Drosera × carbarup beschreven als natuurlijke hybride van D. occidentalis en D. platystigma. Zoals alle dwergzonnedauwen vormt hij in de winter broedknoppen in het hart van de rozet.

Waar en wanneer te zien

Ga eind oktober tot begin december op pad, rond het middaguur en bij zon: de oranje bloemen gaan alleen open bij warm, helder weer en zijn dan van meters afstand te zien, terwijl de rozetjes zelf in het lateriet verdwijnen. Kniel neer en bekijk het hart van de bloem met een loep — de witte stijlen en brede stempels zijn het enige betrouwbare kenmerk tegenover D. hyperostigma.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst als niet bedreigd (LC) beoordeeld; niet in CITES, en in FloraBase aangeduid als niet bedreigd. De soort heeft een groot areaal en verdraagt een brede reeks bodems. Ontginning van de graangordel heeft wel veel leefgebied gekost; in dat landschap staat hij nu vooral in bermen en restbos.

Wetenschappelijke naam

Drosera platystigma | Lehmann, 1844

Drosera platystigma werd in 1844 beschreven door de Duitse botanicus Johann Georg Christian Lehmann, in zijn werk Pugillus Plantarum, deel 8, pagina 37. De soort komt voor in een klein gebied in het uiterste zuidwesten van Australië, onder meer bij Albany, Busselton, de Stirling Range en Bannister, op kleiige zand- of lateriet- en leembodems in open heidevegetatie; de precieze typelocatie, verzamelaar en verzameldatum konden niet met zekerheid worden achterhaald. Het epitheton platystigma is beschrijvend en is samengesteld uit het Grieks platys ("breed") en stigma ("stempel"), en verwijst naar de opvallend brede stempels van de bloemen van deze soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.