Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera occidentalis

Drosera occidentalis

Een van de allerkleinste zonnedauwen ter wereld. Drosera occidentalis, de 'westelijke' zonnedauw, wordt nauwelijks 2,5 cm hoog en heeft vangbladen waarvan de schijf soms maar een millimeter meet. De soort is beschreven door Alexander Morrison, die rond 1900 als botanicus voor de West-Australische overheid werkte, en groeit in de wetlands van de kustvlakte rond Perth en ten zuiden daarvan.

Drosera occidentalis
Foto: incidencematrix — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een piepkleine dwergzonnedauw tot 2,5 cm hoog, met bladschijfjes die soms slechts 1 mm in doorsnede zijn. In het hart van de rozet staat, zoals bij alle dwergzonnedauwen, een pluk stipels. De bloemen zijn wit of roze en verschijnen in het late voorjaar en de vroege zomer, later dan bij de meeste andere dwergzonnedauwen. Het extreem kleine formaat, in combinatie met een natte standplaats in de kustvlakte, is het beste veldkenmerk.

Gelijkende soorten

Door zijn geringe afmetingen is de soort alleen met andere zeer kleine dwergzonnedauwen te verwarren, zoals Drosera oreopodion, die in de uitlopers van de Darling Range groeit, en D. pygmaea. De standplaats in wetlands van de kustvlakte en de late bloei zijn aanwijzingen; voor een zekere determinatie is een loep en de sleutel in Lowrie (2013) nodig.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval op de kleinst denkbare schaal. Elk bladschijfje van een millimeter draagt enkele gesteelde klieren met een kleverige druppel. De prooi is dienovereenkomstig: springstaarten, mijten en andere micro-geleedpotigen die over de natte grond kruipen. Na een vangst buigen de tentakels naar de prooi toe en wordt deze verteerd.

Standplaats en ecologie

Wetlands van de kustvlakte: de randen van seizoensmoerassen en natte, zandige laagten (W7, W4, D1). Doordat de grond daar tot laat in het voorjaar vochtig blijft, kan de plant laat bloeien. In de zomer trekt hij zich terug tot een rustende knop binnen de stipels.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Zuidwest-Australië, in wetlands van net ten noorden van Perth tot net ten zuiden van Busselton: de Swan Coastal Plain.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 16 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Naast de typische vorm wordt in de literatuur een zuidelijke ondersoort, D. occidentalis subsp. australis, genoemd; de verschillen en de huidige status daarvan hebben we niet in een bron kunnen nalopen. Zoals de meeste dwergzonnedauwen vormt de plant broedknoppen (gemmae) die door regendruppels worden verspreid.

Waar en wanneer te zien

Zoek in november en december, op je knieën, aan de randen van moerassen in de kustvlakte ten zuiden van Perth. Een plant van 2,5 cm met blaadjes van een millimeter vind je alleen met geduld; het beste teken is een glinstering van piepkleine druppels op natte grond. Een loep is onmisbaar.

Staat van instandhouding

Op de wereldwijde Rode Lijst van de IUCN staat de soort als niet bedreigd (LC). In CITES is hij niet opgenomen. De wetlands van de kustvlakte tussen Perth en Busselton zijn echter voor een groot deel verdwenen door ontwatering, landbouw en verstedelijking, en de dalende grondwaterstand in de regio is een blijvende bedreiging. Onzekerheid: de status van subsp. australis hebben we niet kunnen controleren.

Wetenschappelijke naam

Drosera occidentalis | Morren, 1912

Drosera occidentalis werd in 1912 beschreven door Alexander Morrison, in Journal of Botany, British and Foreign, deel 50, p. 166. De soort komt voor in vochtige gebieden van Westelijk Australië, van net ten noorden van Perth tot net ten zuiden van Busselton. De precieze typevindplaats, verzamelaar en verzameldatum van het oorspronkelijke (1912) typemateriaal konden niet met zekerheid worden achterhaald. De naam is beschrijvend Latijn: "occidentalis" betekent "westelijk", en verwijst naar het verspreidingsgebied van de soort in het zuidwesten van West-Australië.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.