Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera latifolia

Drosera latifolia

De breedbladige tegenhanger van Drosera villosa, en de meest verbreide soort uit dat complex. Drosera latifolia werd in de negentiende eeuw door August Wilhelm Eichler als variëteit van D. villosa beschreven in de Flora Brasiliensis, en in 2015 door Paulo Gonella en Fernando Rivadavia tot soort verheven. Het is een zonnedauw van de Zuidoost- en Zuid-Braziliaanse bergen die, anders dan veel verwanten, algemeen is en zelfs verstoorde grond verdraagt.

Drosera latifolia
Foto: Bruno R. Möller — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een meerjarige, stengelloze rozet die soms korte, rechtopstaande zuiltjes tot 10 cm vormt. De bladeren staan half opgericht en ontrollen zich uit een opgerolde top. De bladsteel is plat, 1 tot 3, soms 4 mm breed, bijna glad op de bovenzijde en veel tot iets korter dan de lancetvormige tot langwerpige bladschijf. De steunblaadjes zijn rechthoekig met een gefranjerde bovenrand. De bloeistengel is aan de voet kaal tot schaars behaard en aan de top beklierd; de roze kroonbladen zijn 5 tot 8,5 mm lang. De zaden zijn spoelvormig, 0,8 tot 1 mm, met een netvormige zaadhuid.

Gelijkende soorten

De belangrijkste verwarringsoort is Drosera villosa, waarvan ze lang als variëteit gold; die heeft langere bladstelen en is sterker behaard. Drosera graminifolia heeft grasachtige bladeren zonder duidelijk afgezette schijf, Drosera chimaera en Drosera ascendens zijn soorten van Minas Gerais uit hetzelfde complex. Op de Espinhaço-keten zijn onvruchtbare hybriden met Drosera tomentosa gevonden, die tussen beide ouders in staan.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De tentakels op de brede bladschijf vangen muggen, vliegjes en mieren; de omringende tentakels buigen naar de prooi en het blad kan zich over de lengte om de vangst krullen. Door de half opgerichte stand van de bladeren worden ook vliegende insecten gevangen.

Standplaats en ecologie

In de Serra do Mar en de Serra da Mantiqueira: hooggelegen graslanden en verstoorde plekken, meestal op een dun organisch laagje over rots of op kleigrond. In de Espinhaço-keten: rotsige graslanden en vegetatiestroken langs beekjes op zand of veen. Ze is een van de weinige Braziliaanse zonnedauwen die ook in oeverbossen groeit (R1, W4, H2, B3). Hoogte 700 tot 2550 m.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Brazilië, in de zuidoostelijke deelstaten Espírito Santo, Minas Gerais, Rio de Janeiro en São Paulo en de zuidelijke deelstaten Paraná en Santa Catarina, verspreid over drie grote berggebieden: de Serra do Mar, de Serra da Mantiqueira en de Espinhaço-keten. Het verspreidingsgebied beslaat volgens de synopsis bijna een half miljoen vierkante kilometer.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 19 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er worden geen formele variëteiten erkend, maar de soort is zeer variabel: de synopsis onderscheidt zes regionale morfotypen, die verschillen in grootte, beharing en bladvorm. Waar D. latifolia en D. tomentosa samen groeien, ontstaan onvruchtbare hybriden. De bloei valt in de Serra do Mar en Mantiqueira van september tot februari, en in de Espinhaço-keten van juni tot september met een tweede piek in februari en maart.

Waar en wanneer te zien

Een van de makkelijkst te vinden bergzonnedauwen van Brazilië. Zoek in de nationale parken van de Serra da Mantiqueira en de Serra do Mar op natte, open plekken langs paden en beekjes, en op kale, natte bermen van bergwegen. Vergelijk bladsteel en beharing om haar van D. villosa te onderscheiden.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet opgenomen in CITES. De auteurs van de synopsis beoordeelden de soort als niet bedreigd (LC), op grond van het grote verspreidingsgebied, de vele populaties en het voorkomen in talrijke nationale en staatsparken. Dat is een voorstel van de auteurs, geen officiële IUCN-beoordeling; het IUCN-veld blijft daarom op niet geëvalueerd.

Wetenschappelijke naam

Drosera latifolia | (Eichler) Gonella & Rivadavia, 2014

Basioniem Drosera villosa var. latifolia door August Wilhelm Eichler in 1872, in "Flora Brasiliensis", deel 14, nr. 2, p. 395, tafel 91, fig. 1. Verheven tot soort als Drosera latifolia (Eichler) Gonella & Rivadavia in 2014, in Phytotaxa, deel 156, nr. 1, p. 21 (3 januari 2014) — dezelfde publicatie als de eerder in de gids genoemde D. chimaera (golf 39). De typelocatie is in de bronnen expliciet niet gespecificeerd, noch voor het basioniem noch voor de nieuwe combinatie. De soort komt voor in Brazilië. Van het Latijnse latus ("breed") en folium ("blad") — "breedbladig", vermoedelijk ter onderscheiding van smaller-bladige verwanten binnen het D. villosa-complex.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.