Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera kenneallyi
Drosera kenneallyi
Een tropische zonnedauw uit de Kimberley, het ruige noordwesten van Australië, en een van de weinige soorten in deze gids die zijn natte seizoen in de zomer heeft in plaats van in de winter. Drosera kenneallyi werd in 1982 voor het eerst verzameld door de botanicus Kevin Kenneally, naar wie hij is genoemd, en in 1996 door Allen Lowrie in het tijdschrift Nuytsia beschreven.


Herkenning
Een compacte rozet die plat tegen de grond ligt. De bladstelen zijn op het breedst 1,5 tot 2,2 mm; aan het eind zit een klein, elliptisch tot breed eirond vangblaadje van slechts 2 tot 3 mm, dat rood kleurt. In november en december verschijnen bloeiwijzen van 12,5 tot 20,5 cm lang, trossen met tien tot twintig witte bloemen. De combinatie van piepkleine, rode bladschijfjes op relatief brede stelen en een hoge, veelbloemige tros is kenmerkend.
Gelijkende soorten
De naaste verwant is Drosera falconeri, eveneens uit het tropische noorden, die grotere, platliggende bladeren heeft. D. kenneallyi onderscheidt zich door de duidelijk kleinere bladschijfjes en de kortere bloeiwijze. Andere tropische rozetzonnedauwen uit dezelfde verwantschap, de groep rond D. petiolaris, hebben vaak behaarde bladstelen of een andere bladvorm; de determinatie vraagt aandacht voor de details van blad en bloeiwijze.
De val en hoe hij werkt
Een actieve lijmval. De rode bladschijfjes dragen gesteelde klieren met kleverige druppels waaraan kleine insecten blijven kleven. De tentakels buigen daarna naar de prooi en de klieren nemen de voedingsstoffen op. Omdat de bladschijf zo klein is, draait het hier om de allerkleinste prooi: muggen, springstaarten en mieren die over de rozet lopen.
Standplaats en ecologie
Zandige leem aan de rand van een moeras, in de schaduw van eucalyptussen (Eucalyptus latifolia) in open bosland (W4, W7, B6). In januari en februari, midden in de regentijd, loopt de standplaats regelmatig onder met warm water. De plant reageert daarop door de stand van de bladstelen aan te passen, zodat de vangbladen boven het water blijven.
Verspreiding en hoogte
De oorspronkelijke beschrijving en latere overzichten noemen de soort endemisch voor het Mitchell Plateau in de Kimberley, in het noorden van West-Australië, waar hij in de omgeving van het moeras algemeen is. Opgaven uit het Northern Territory hebben we niet in een bron bevestigd gevonden; het areaal is mogelijk kleiner dan 'Noord-Australië' doet vermoeden.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. In 1993 bracht Allen Lowrie de soort in cultuur, drie jaar voordat hij hem formeel beschreef.
Waar en wanneer te zien
Het Mitchell Plateau is alleen in de droge tijd over de weg bereikbaar, terwijl de plant op zijn best is aan het begin en midden van de regentijd; een bezoek vergt dus planning en vaak een vliegtuig of helikopter. Zoek in de open bosrand van moerassen, niet in het moeras zelf, en kijk laag: de rozetten zijn klein en rood tegen de rode grond.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst (NE) en staat niet in CITES. Het Mitchell Plateau is afgelegen en grotendeels beschermd, wat de soort ondanks het kleine areaal een zekere veiligheid geeft; verandering van het brandregime en de waterhuishouding blijven risico's. Onzekerheid: het voorkomen in het Northern Territory is niet bevestigd.
Wetenschappelijke naam
Drosera kenneallyi | Lowrie, 1996
Beschreven door Allen Lowrie in 1996, in Nuytsia (tijdschrift van het West-Australische Herbarium). Zandige leembodem aan de rand van "Airfield Swamp", Mitchell Plateau, Kimberley-regio, noordelijk West-Australië; het typemateriaal werd verzameld onder een Eucalyptus latifolia-boom. Vernoemd naar Kevin F. Kenneally, die de plant in 1982 als eerste verzamelde.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.