Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera hookeri

Drosera hookeri

Drosera hookeri is een kleine, felgeelgroene knolzonnedauw uit het D. peltata-complex van Zuidoost-Australië. De plant werd al in 1848 door Joseph Dalton Hooker onderscheiden onder de naam D. foliosa, maar die naam bleek al voor een andere soort in gebruik en was daardoor ongeldig. In 2010 gaven Gibson, Conn en Conran de soort daarom een nieuwe naam, ter ere van Hooker. In het Engels heet hij 'grassland sundew', naar zijn standplaats.

Drosera hookeri
Foto: MFdeS — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera hookeri — de bloem
De bloem · Foto: MFdeS — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine, meerjarige plant van 5 tot 10 cm hoog die in de winter uit een witte knol groeit, die 2 tot 5 cm onder het maaiveld ligt. De hele plant is geelgroen tot uitgesproken geel, ook in volle zon. Er is een goed ontwikkelde rozet van halvemaanvormige bladeren op de grond, en vanaf de voet ontspringen vaak meerdere, herhaald vertakte stengels met schildvormige, halvemaanvormige vangblaadjes. De witte bloemen verschijnen dicht bij de basale rozet; de kroonbladen zijn 4 tot 4,5 mm lang en de kelkbladen dragen slechts korte, schaarse haren. De zaden zijn cilindrisch, 0,6 tot 0,7 mm lang.

Gelijkende soorten

Binnen het complex is Drosera gunniana de belangrijkste verwisselaar: die is groter (8 tot 30 cm of meer), heeft meestal één dominante hoofdstengel, roze tot rode knollen, dicht behaarde kelkbladen met haren van meer dan 0,8 mm en grotere, roze of witte kroonbladen van 5 tot 8 mm. D. peltata in strikte zin is slank, roodachtig en heeft dicht behaarde kelken; D. auriculata heeft kale kelkbladen. De felle geelgroene kleur en de lage, vanaf de voet vertakte groeiwijze zijn goede veldkenmerken.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De schildvormige blaadjes langs de stengels en de halvemaanvormige rozetbladeren dragen tentakels die kleine insecten in kleverig slijm vangen; de randtentakels buigen naar de prooi, waarna de kortere tentakels in het midden haar verteren. Door de lage groeiwijze bestaat de vangst vooral uit kruipende en laagvliegende insecten tussen het gras.

Standplaats en ecologie

Grasland en grazig bosland dat in de winter nat is en in de zomer uitdroogt (W7, B6), aan de kust, op de hoogvlakten en in het binnenland. Volgens De Salas groeit hij vooral in vochtig, open grasland, waar D. gunniana eerder heideachtig en grazig bosland opzoekt. De plant overleeft de droge zomer als knol en staat vaak samen met andere soorten van het complex.

Verspreiding en hoogte

Zuidoost-Australië: Tasmanië (waar het type vandaan komt), Victoria en Zuid-Australië, volgens sommige bronnen ook New South Wales. Over Nieuw-Zeeland zijn de bronnen tegenstrijdig. Gibson en collega's rekenden Noord-Nieuw-Zeelandse planten tot deze soort, maar volgens het New Zealand Plant Conservation Network horen die sinds 2018 tot D. gunniana. De opgave 'en Nieuw-Zeeland' in de gebiedsomschrijving is dus onzeker. Hoogtegrenzen zijn niet exact gepubliceerd; het hoogteveld blijft leeg.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 184 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

In de liefhebberij in Victoria worden een lagere, vanaf de voet vertakte vorm en een hogere vorm met één groene stengel onderscheiden. Die hogere vorm valt mogelijk (deels) onder D. gunniana zoals die in 2018 werd afgebakend. Over de exacte grens tussen beide soorten zijn de bronnen nog niet eensgezind. Wie oudere gegevens gebruikt, moet er rekening mee houden dat 'D. hookeri' van voor 2018 soms ook D. gunniana omvat.

Waar en wanneer te zien

Zoek in de Australische lente in vochtig, open grasland en grazig bosland, bijvoorbeeld in Midden-Victoria en Tasmanië. De felgele tot geelgroene plantjes vallen tussen het gras juist door hun kleur op. Neem een loep mee om de kelk te bekijken. Graaf geen knollen op; ze zitten verrassend diep en de plant heeft ze nodig om de zomer door te komen.

Staat van instandhouding

Op de IUCN-Rode Lijst staat de soort als Niet bedreigd (LC); hij staat niet in CITES. Die beoordeling gaat vermoedelijk uit van de afbakening van vóór 2018, waarin ook planten van D. gunniana waren inbegrepen. Natuurlijke graslanden en grazige bossen behoren tot de sterkst ingekrompen ecosystemen van Zuidoost-Australië, zodat de soort lokaal kwetsbaar is voor omzetting naar landbouwgrond, bebouwing en invasieve grassen.

Wetenschappelijke naam

Drosera hookeri | Gibson, Conn & Conran, 2010

Beschreven door R.P. Gibson, B.J. Conn & Conran in 2010, in Journal of the Adelaide Botanic Garden, deel 24, p. 41 (20 december 2010) — een vervangende naam: het taxon werd al in 1848 door Joseph Dalton Hooker herkend als "Drosera foliosa Hook.f. ex Planch.", maar die naam bleek ongeldig (een latere homoniem van D. foliosa Elliott, 1824), waardoor een nieuwe naam nodig was. Holotype verzameld op Tasmanië; de soort komt als geheel voor in zuidoostelijk Australië (Victoria, New South Wales, Zuid-Australië) en Nieuw-Zeeland, binnen het D. peltata-complex. Vernoemd naar Joseph Dalton Hooker, die het taxon als eerste herkende.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.