Alle soorten › Lipbloemigen › Byblidaceae › Byblis lamellata

Byblis lamellata

De noordelijke Byblis-soorten zijn eenjarigen die met de moesson komen en gaan; Byblis lamellata hoort bij het andere kamp. Dit is een overblijvende, houtige halfstruik van het mediterrane zuidwesten van Australië, die de zomerdroogte doorstaat in een ondergrondse wortelstok en elk jaar opnieuw uitloopt. Een oude plant kan een struikje van zestig centimeter vormen met vijftien of meer scheuten tegelijk, en staat dan in de kwongan te schitteren alsof er glas over is uitgegoten. Hij werd pas in 2002 van Byblis gigantea afgesplitst, en is sindsdien de soort waar het verhaal van de zuidwestelijke zandvlakten aan hangt.

Byblis lamellata
Foto: No machine-readable author provided. Denis Barthel assumed (based on copyright claims). in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Byblis lamellata — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: No machine-readable author provided. Denis Barthel assumed (based on copyright claims). in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een vertakte, houtige halfstruik tot ongeveer 60 cm hoog, die opschiet uit een ondergrondse wortelstok en zich daarnaast ook vanuit de overgebleven bovengrondse stengelvoeten vernieuwt. De bladeren zijn lijnvormig en kunnen 20 cm lang worden; in doorsnede zijn ze niervormig, niet rond, en ze zijn langs de randen en aan de onderzijde dicht bezet met klierharen. De bloemen staan op lange stelen en zijn voor het geslacht groot: de kroonbladen meten 15 tot 20 mm en zijn roze tot kersroze-mauve, zelden wit. De vijf meeldraden zijn eenzijdig gebogen; de helmknoppen zijn opvallend lang, 5 tot 6 mm, geel met een bruine top, en de helmdraden blijven met 2,5 tot 3,5 mm duidelijk korter. De bloei valt in de zuidelijke lente en vroege zomer, van september tot december of januari. Het zaad draagt zwak in de lengte lopende, plaatvormige ribben; die lamellen leverden de soortnaam.

Gelijkende soorten

De enige serieuze verwarring is met Byblis gigantea, de andere overblijvende soort van het zuidwesten. Die staat in seizoensnatte moerassen die ook in de zomer vochtig blijven, terwijl B. lamellata juist op goed doorlatend, droog wit zand groeit; de twee zijn bovendien ruim honderd kilometer van elkaar gescheiden, met lamellata als de noordelijke van het paar. B. gigantea loopt na brand of droogte alleen uit de ondergrondse wortelstok uit, B. lamellata ook vanuit de resten van de bovengrondse stengels. Het harde bewijs zit in het zaad: bij B. lamellata zwak in de lengte geribd met plaatvormige lamellen, bij B. gigantea met duidelijke dwarsribben en een ingewikkelder honingraatpatroon. Met de noordelijke eenjarigen is verwarring uitgesloten: die zijn kleiner, dunner en komen duizenden kilometers verderop voor.

De val en hoe hij werkt

Een passieve lijmval, net als bij de rest van het geslacht, maar op groter formaat. De lange bladeren dragen over hun randen en onderzijde gesteelde klieren met een heldere, kleverige druppel; het blad beweegt niet en de klieren bewegen niet. Wat vast komt te zitten wordt verteerd door de veel kleinere zittende klieren die tussen de steeltjes op de bladhuid staan en pas in werking treden als er een prooi op ligt. Omdat de planten zo groot worden en tientallen bladeren tegelijk dragen, is de vangst navenant: naast muggen en vliegen blijven regelmatig grotere insecten hangen. Dat vangoppervlak is geen luxe, want het witte kwartszand waarin de soort staat, is een van de fosforarmste bodems ter wereld — de plant haalt uit haar prooi wat de grond niet levert.

Standplaats en ecologie

Open heide op goed doorlatend, wit kwartszand van de noordelijke zandvlakten: de kwongan, het lage, soortenrijke struweel dat op deze arme gronden het landschap bepaalt. Anders dan de meeste vleesetende planten staat deze soort dus niet in het natte maar juist in het droge deel van het landschap; het zand houdt geen water vast en de plant overbrugt de zomer ondergronds. Vuur hoort bij die standplaats: na een brand loopt de wortelstok uit en bloeien de planten uitbundig, terwijl ze in lang niet gebrande, dichtgegroeide heide wegkwijnen. In de vaste codes: wit kwartszand (D2) op een zandvlakte (D1), begroeid met struweel op arme grond (B6).

Verspreiding en hoogte

Het zuidwesten van West-Australië, op de noordelijke zandvlakten van de Arrowsmith-rivier zuidwaarts tot Cataby, met Eneabba en omgeving als zwaartepunt. Het herbarium noteert de soort uit de regio's Geraldton Sandplains, Jarrah Forest en Swan Coastal Plain. Het gebied is klein en langgerekt: enkele honderden kilometers noord-zuid, maar smal en sterk versnipperd door landbouw en mijnbouw. De plant blijft in het laagland; een betrouwbaar gedocumenteerde hoogtegrens is er niet, zodat het hoogteveld leeg blijft.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 5 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er is weinig wilde variatie beschreven. De bloemkleur schommelt van roze naar kersroze-mauve en gaat zelden naar zuiver wit; dat is de enige vorm van variatie die in de literatuur als zodanig wordt genoemd. De grootte van de planten hangt sterk af van de tijd sinds de laatste brand: kort na vuur zijn het lage, rijk bloeiende scheuten, na jaren zonder brand groeien ze uit tot de zware struikjes met vele scheuten die de soort haar reputatie geven. Erkende variëteiten of kleurvormen bestaan niet, en natuurlijke hybriden zijn niet bekend; de enige mogelijke partner, B. gigantea, staat ruim honderd kilometer verderop en bloeit op een ander moment.

Waar en wanneer te zien

September en oktober zijn het beste moment: de planten staan dan in volle bloei en de bloemen zijn met 15 tot 20 mm van een afstand te zien. Zoek in laag, open struweel op wit zand, en let vooral op stukken die één tot drie jaar geleden zijn afgebrand — daar staan de planten het dichtst en het rijkst. Ga niet dwars door de vegetatie heen: de kwongan is kwetsbaar en de bodemschimmel Phytophthora reist mee aan schoenzolen en banden. Een vondst is pas compleet als je noteert hoe de plant is uitgelopen, want juist het uitlopen vanuit bovengrondse stengelresten scheidt deze soort van haar zuidelijke tegenhanger.

Staat van instandhouding

De Rode Lijst voert de soort als kwetsbaar (Vulnerable). Het verspreidingsgebied is klein, het aantal vindplaatsen beperkt en de zandvlakten waarop de plant staat zijn precies de gronden die in deze streek worden afgegraven voor zware mineralen; daarnaast is de plant afhankelijk van een brandregime dat door versnippering steeds moeilijker in stand te houden is. Te weinig vuur laat het struweel dichtgroeien, te veel vuur put de wortelstokken uit. Het West-Australische herbarium voert de soort intussen niet als bedreigd, wat laat zien dat nationale en internationale beoordelingen hier uiteenlopen.

Wetenschappelijke naam

Byblis lamellata | Conran & Lowrie, 2002

Beschreven door John G. Conran en Allen Lowrie in 2002, in het artikel "A revision of Byblis (Byblidaceae) in south-western Australia", gepubliceerd in Nuytsia 15(1): 11–19. De soort komt voor op de zandvlaktes van het noordelijke zandgebied van West-Australië, waar zij groeit in goed doorlatend, wit silicazand. De soortnaam lamellata is Latijn voor "van dunne plaatjes voorzien" en verwijst naar een lamelachtige structuur in de bouw van de plant.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.