Alle soorten › Lipbloemigen › Byblidaceae › Byblis filifolia

Byblis filifolia

Dit is de soort die je in het noordwesten van Australië bijna niet kúnt missen. Waar Byblis liniflora een handbreed kruidje blijft, wordt Byblis filifolia een halve meter hoog en houtig van onderen, met tientallen naaldvormige bladeren die alle kanten op staan en stuk voor stuk bedekt zijn met kleefdruppels. In het tegenlicht van de vroege ochtend staat zo'n plant als een lichtgevende bezem in de savanne. Hij is dan ook de meest algemene en meest gefotografeerde Byblis van de Kimberley, en tegelijk de lastigste van het geslacht om scherp af te grenzen: een deel van wat hier rondloopt onder andere namen, zou best gewoon filifolia kunnen zijn.

Byblis filifolia
Foto: Petr Dlouhý in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Byblis filifolia — de bloem
De bloem · Foto: Petr Dlouhý in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Byblis filifolia — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Petr Dlouhý in kweek — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een rechtopstaande of tegen omringende kruiden leunende plant van 20 tot 60 cm hoog, met een hoofdas die naar onderen toe verhout en die zich hogerop vertakt. De bladeren zijn draadvormig en rond in doorsnede, 3 tot 15 cm lang maar meestal 4 tot 8 cm, en dicht bezet met gesteelde kleefklieren; daartussen staan veel kleinere zittende klieren. De bloemen staan op lange stelen uit de bladoksels. De kelkbladen zijn 4,5 tot 6,5 mm lang en dragen kórte gesteelde klieren van 0,3 tot 0,5 mm — dat is het kenmerk waarmee de soort in de sleutel van B. rorida wordt gescheiden. De kroonbladen zijn 10 tot 15 mm lang, van boven mauve tot paars en van onderen wit, geel of gestreept in rood en geel; ze zijn aan de top onregelmatig gekarteld. De vijf meeldraden staan naar één kant gebogen, en de helmknoppen zijn 2,5 tot 3,5 mm lang, dus langer dan de helmdraden van 1 tot 3 mm. In West-Australië bloeit de plant van maart tot juni, dus vanaf het einde van de moesson tot in het droge seizoen.

Gelijkende soorten

Het hele noordelijke deel van het geslacht is een lastig kluwen. Byblis liniflora is veel kleiner, blijft onder de 15 cm en heeft helmknoppen die kórter zijn dan de helmdraden — dat is met een loep het snelste onderscheid. Byblis rorida komt in dezelfde streek voor en heeft eveneens helmknoppen langer dan de helmdraden, maar draagt op de kelkbladen opvallend lange klierborstels van 0,7 tot 1,5 mm, tegenover 0,3 tot 0,5 mm hier. Byblis guehoi van het Dampierschiereiland is in het veld nauwelijks van filifolia te scheiden en verschilt vooral in zaad en chromosoomgetal. Byblis aquatica hangt slap in het water en kan niet worden verward. Met een Drosera is verwarring uitgesloten zodra je van dichtbij kijkt: daar zitten de klierharen op een afgeplat blad en bewegen ze, hier staan ze rondom een naaldvormig blad en bewegen ze niet.

De val en hoe hij werkt

Een passieve lijmval. Het blad beweegt niet en de klieren bewegen niet; er is geen prikkelverwerking in het spel. De lange gesteelde klieren dragen elk een heldere druppel die bij aanraking meegeeft en blijft plakken, zodat een insect dat zich probeert los te worstelen alleen maar meer druppels raakt. Het verteren is werk van de veel kleinere zittende klieren op de bladhuid: die scheiden pas enzymen af als er een prooi op ligt en nemen daarna de vrijgekomen stikstof en fosfor op. Die werkverdeling over twee kliertypen is precies wat Byblis van Drosera onderscheidt. Omdat deze soort zo groot wordt en zo veel bladoppervlak maakt, hangen de planten aan het eind van het seizoen vaak zwart van de vangst — vooral muggen, kleine vliegen en gevleugelde mieren. Op de kleverige bladeren leven roofwantsen die er ongestraft overheen lopen en de prooi wegkapen.

Standplaats en ecologie

Zandgrond in open savannebos, en verder de zandige oevers van rivieren en kreken en plekken waar in de natte tijd grondwater uittreedt. De plant heeft vol licht nodig en verdraagt geen dichte grasmat, zodat hij vooral opvalt op pas gebrande stukken savanne, op kale zandvlakken en langs wegen en paden. De bodem is meestal een diep, arm zand dat in de moesson doorstroomd raakt als een kwelmoeras en daarna maandenlang kurkdroog staat. In de vaste codes betekent dat een combinatie: een zandvlakte (D1) die een deel van het jaar als kwelmoeras werkt (W3) en die daarnaast vaak langs een beek- of kreekoever ligt (W7).

Verspreiding en hoogte

Het droge noordwesten van Australië: van de omgeving van Port Hedland in de Pilbara via de Grote Zandwoestijn, Dampierland en de hele Kimberley tot in de Tanami en over de grens in het Noordelijk Territorium, waar de soort tot in de kuststrook bij Darwin reikt. Daarmee is hij endemisch voor Australië, maar wel over een enorm gebied verspreid. Het is een laaglandplant; er is geen betrouwbaar gedocumenteerde hoogtegrens voor de soort, zodat het hoogteveld hier leeg blijft.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 116 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

Er is veel wilde variatie, en dat is meteen het taxonomische probleem van de soort. De bloemkleur loopt uiteen van diep mauve tot vrijwel zuiver wit, en er zijn populaties waarbij de achterkant van de kroonbladen in rood en geel gestreept is. Ook de plantgrootte varieert sterk met de natheid van de groeiplaats; op arme, snel uitdrogende plekken blijven planten onder de 20 cm, op natte kwelplekken halen ze de volle 60 cm. Veldwerkers die het hele gebied hebben afgereisd, opperen dat B. filifolia, B. rorida, B. guehoi en mogelijk B. pilbarana samen één sterk variabele soort vormen; dat is voorlopig een hypothese en geen aanvaarde indeling. Erkende variëteiten of natuurlijke hybriden zijn er niet.

Waar en wanneer te zien

April tot juni is het gunstigste venster: de planten zijn volgroeid en in bloei en de zandwegen van de Kimberley zijn weer begaanbaar. Zoek met de zon laag in de rug, want dan lichten de klierdruppels op en zie je de planten van tientallen meters afstand. De beste plekken zijn de randen van uitdrogende moerassen, zandige kreekoevers, wegbermen en stukken savanne waar het vuur kortgeleden doorheen is gegaan. Noteer bij elke vondst of de helmknoppen langer of korter zijn dan de helmdraden en hoe lang de klierborstels op de kelk zijn — zonder die twee gegevens is een waarneming binnen deze groep weinig waard.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern), en het West-Australische herbarium voert hem als niet bedreigd. Het verspreidingsgebied beslaat duizenden kilometers, de plant staat in tal van beschermde gebieden en hij gedijt juist op verstoorde en pas gebrande grond. Wat lokaal telt is verandering van het brandregime: waar hoog gras en struikgewas dichtgroeien, verdwijnt hij van die plek, en waar te vaak en te heet gebrand wordt, raakt de zaadbank uitgeput.

Wetenschappelijke naam

Byblis filifolia | Planchon, 1848

Beschreven door Jules Émile Planchon in 1848. De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald; de soort komt voor in Noord-Australië en is een van de meest gekweekte leden van het Byblis liniflora-complex. De soortnaam filifolia is samengesteld uit het Latijnse filum ("draad") en folium ("blad") en verwijst naar de dunne, draadvormige bladeren van de plant.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.