Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Zimmermanns spitsmuis
Zimmermanns spitsmuis | Crocidura zimmermanni
Cretan Shrew | Musaraña De Creta
Zimmermanns spitsmuis is een witgetande spitsmuis die alleen op Kreta voorkomt, vooral in de gebergten van Midden- en West-Kreta. Hij werd in 1953 beschreven als ondersoort van de huisspitsmuis en in 1978 als aparte soort erkend, op grond van zijn bouw en zijn afwijkende chromosomen. Genetisch onderzoek plaatst hem aan de basis van een Noord-Afrikaanse groep van Crocidura-soorten, en hij wordt beschouwd als een overblijfsel van een soort die al in het Pleistoceen op Kreta leefde. Levende dieren zijn alleen van enkele hoogvlakten bekend.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Er zijn geen sporen bekend die specifiek voor deze soort zijn. Recente vondsten op lagere hoogten komen uitsluitend uit braakballen van de kerkuil, en dat is ook de methode die het meest oplevert. Schedels en onderkaken van Crocidura zijn in braakballen aan de witte tanden te herkennen; de scheiding van Crocidura gueldenstaedtii vraagt schedelmaten, zoals de lengte van de snuit en de vorm van de onderkaak, en ervaring.
Herkenning
Zimmermanns spitsmuis is een middelgrote Crocidura met, zoals alle soorten van het geslacht, witte tanden, oren die boven de vacht uitsteken en losse lange haren op de staart. De zomervacht is grijsbruin op de rug, grijzer en minder donker dan bij de tuinspitsmuis; de buik is lichter bruingrijs, zonder duidelijke scheidingslijn tussen rug en buik. De bovenzijde van voor- en achtervoeten is licht. Mannetjes zijn iets groter dan vrouwtjes. De schedel lijkt op die van de tuinspitsmuis, maar heeft een langere snuit en langere, slankere onderkaken. Of de vacht in de winter verandert, is niet bekend. Het karyotype telt 2n = 34. Kop-romplengte 6,5 tot 7,8 cm, staart 3,5 tot 4,2 cm, oor 7 tot 13 mm, achtervoet 12 tot 14 mm, gewicht 7 tot 8 gram.
Gelijkende soorten
Op Kreta leeft ook Crocidura gueldenstaedtii, een witgetande spitsmuis die vroeger als tuinspitsmuis werd opgevat en vermoedelijk in de prehistorie door mensen is aangevoerd. Uiterlijk zijn de twee soorten nauwelijks te scheiden: Zimmermanns spitsmuis is iets grijzer en minder donker, maar dat verschil is in het veld niet betrouwbaar. De scheiding berust op de schedel: een langere snuit, slankere onderkaken, en een derde eenpuntige tand in de bovenkaak die hoger is dan de parastyl van de bovenste premolaar. In de praktijk helpt de hoogte: levende dieren van Zimmermanns spitsmuis zijn alleen in de bergen gevangen, terwijl Crocidura gueldenstaedtii vooral de lagere delen van het eiland bewoont. Toch zijn er vondsten van Zimmermanns spitsmuis in braakballen van 140 tot 830 meter, zodat de hoogte geen sluitend bewijs is. Roodtandspitsmuizen (Sorex) ontbreken op Kreta. De wimperspitsmuis (Suncus etruscus) is veel kleiner en weegt maar enkele grammen.
Leefgebied
De soort is bekend uit berggebieden en hun uitlopers van ongeveer 140 tot 1400 meter, met laag, doornig struweel en een ruw klimaat, met sneeuw in de winter en droogte in de zomer. Binnen die zones wordt de soort vooral gevonden op vochtige plekken met kussens van mos onder struiken van de Kretenzische berberis (Berberis cretica). Op de hoogvlakten van Nida en Omalos leeft hij in dat mozaïek van bergweide en doornstruweel. Welk leefgebied hij in het laagland en aan de kust gebruikt, is onbekend; van daar zijn alleen braakbalvondsten en subfossiele resten bekend.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Zimmermanns spitsmuis is endemisch voor Kreta. De soort is vooral bekend uit de berggebieden van het eiland, waaronder de hoogvlakte van Nida in het Idagebergte in het midden, de typelocatie, en de hoogvlakte van Omalos in de Lefka Ori in het westen. Braakbalvondsten tonen dat hij ook lager voorkomt, tot 140 meter, en subfossiele resten zijn van de kust bekend. Er zijn aanwijzingen voor verschillen in grootte tussen centrale en westelijke populaties. Buiten Kreta komt de soort niet voor.
Levenswijze
Van de levenswijze is vrijwel niets gepubliceerd: over voedsel, voortplanting, leefgebied en sociale organisatie zijn geen gegevens bekend. Het is een bodembewoner, en vondsten in braakballen van de kerkuil wijzen op activiteit in de nacht of de schemering. Wat voor het geslacht geldt, is voor deze soort niet getoetst: witgetande spitsmuizen eten kleine ongewervelden, houden geen winterslaap, kunnen bij kou kort in torpor gaan en leven zelden langer dan anderhalf jaar. Hedendaagse dieren zijn groter dan die uit het Pleistoceen.
Waar en wanneer kijken
Een levend dier zien is uitzonderlijk. Op de hoogvlakten van Nida en Omalos is in de schemering te letten op kleine zoogdieren tussen de berberisstruiken en mosrijke plekken, maar een zichtwaarneming is niet te onderscheiden van Crocidura gueldenstaedtii. De methode die wel betrouwbare gegevens oplevert, is het verzamelen van kerkuilbraakballen in dorpen, kapellen en ruïnes in en rond de gebergten, en die laten uitzoeken door iemand met ervaring met spitsmuizenschedels. Elke vondst, vooral op lagere hoogte, draagt bij aan de kennis van het areaal van een bedreigde soort. Vangen en verstoren van dieren van deze soort vraagt een vergunning.
Staat van instandhouding
Bedreigd (EN, 2023) op de Rode Lijst van de IUCN; bij eerdere beoordelingen gold de soort als kwetsbaar. Het areaal is beperkt tot één eiland, de populatie gaat vermoedelijk achteruit, en de bekende vindplaatsen van levende dieren liggen op enkele hoogvlakten. De soort wordt bedreigd door verlies van leefgebied en lijkt op lagere hoogte te worden verdrongen door Crocidura gueldenstaedtii, die vermoedelijk in het vierde millennium voor het begin van de jaartelling of eerder door mensen naar Kreta is gebracht; die concurrentie zou op termijn tot uitsterven kunnen leiden. Er is meer onderzoek nodig naar verspreiding, aantallen en ecologie, en er zijn gerichte beschermingsmaatregelen nodig. De soort staat op bijlage III van de Conventie van Bern.
Wetenschappelijke naam
Crocidura zimmermanni | Wettstein-Westersheim, 1953
Wettstein-Westersheim beschreef de soort in 1953 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Crocidura is Grieks, van krokys, genitief krokydos, 'wolvlok, pluis', en oura 'staart', naar de lange losse haren die tussen het korte staarthaar uitsteken. zimmermanni eert de Duitse zoöloog Klaus Zimmermann (1912–1976) van het Berlijnse Museum für Naturkunde, een kenner van de knaagdieren en insecteneters. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Griekenland, Kreta.



