Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Sinaïstekelmuis

Sinaïstekelmuis | Acomys dimidiatus

Arabian spiny mouse | Acomys dimidiatus

De Sinaïstekelmuis is een stekelmuis van de rotsgebieden van de Sinaï, de Negev en het Arabisch Schiereiland. Ze is uitwendig nauwelijks van de Egyptische stekelmuis te onderscheiden. In geschikte rotshabitat is ze vaak talrijk en goed te zien. Waar ze samen met de gouden stekelmuis voorkomt, is die laatste overdag actief; dit is een veelbestudeerd voorbeeld van tijdsverdeling tussen twee soorten.

Sinaïstekelmuis (Acomys dimidiatus)
Foto: Jacky Judas — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De sporen zijn die van een rotsbewoner en zijn op drie plaatsen te vinden. Ten eerste de latrines: zwarte, glanzende, spoelvormige keutels van drie tot vijf millimeter, opgehoopt op een vaste richel, een vlakke steen of de rand van een spleet, vaak tientallen bij elkaar. Ze tonen aan dat een spleet bewoond is en blijven maandenlang herkenbaar, omdat er in dit gebied weinig regen valt. Ten tweede voedselresten voor de spleet: poten en dekschilden van krekels en kevers, doorgeknaagde graankorrels, en slakkenhuisjes waarvan de opening breed is opengeknaagd terwijl de rest van het huisje heel blijft. Ten derde braakballen: onder zitplaatsen van kerkuil en oehoe in de Negev en de Sinaï bevatten ze vaak schedeltjes en de herkenbare stekelharen van deze soort, en een half uur uitpluizen levert meer informatie over de populatie in een wadi op dan een nacht observeren. Prenten zijn zelden te vinden, omdat het dier licht is en de ondergrond hard, maar in fijn stof onder een overhangende rots staan soms looplijnen van nauwelijks een centimeter breed. Twee sporen zijn kenmerkend voor het geslacht: afgebroken staartpunten bij de ingang van een gang, en plukken losgelaten rughuid op plaatsen waar een slang of uil het dier heeft gemist.

In zijn leefgebied

Sinaïstekelmuis, 's nachts op een rotsblok onder doornstruweel, saoedi-arabië — het rotslandschap waar de soort het hele jaar door leeft
's Nachts op een rotsblok onder doornstruweel, Saoedi-Arabië — het rotslandschap waar de soort het hele jaar door leeft · Foto: Jan Ebr & Ivana Ebrová — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Sinaïstekelmuis, kop van dichtbij: grote dunne oren, uitpuilend zwart oog en de witte vlek onder het oog waarop de determinatie berust
Kop van dichtbij: grote dunne oren, uitpuilend zwart oog en de witte vlek onder het oog waarop de determinatie berust · Foto: Jacky Judas — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een muis van acht tot dertien centimeter met een staart van bijna dezelfde lengte. De rug is bleek geelzandig, iets donkerder over de kop, met over rug en flanken de platte, stijve stekelharen van het geslacht; de buik is zuiver wit. Twee kenmerken zijn in het veld bruikbaar: een witte vlek achter de oorbasis en een tweede onder het oog, beide scherp begrensd tegen het zandkleurige gezicht. De oren zijn groot en dun (18 tot 22 mm), de ogen groot, zwart en licht uitpuilend, de snuit spits. De staart is dun behaard, fijn geringd en breekt gemakkelijk af: een groot deel van de dieren in elke populatie heeft een stomp of geen staart, wat op zichzelf een kenmerk van het geslacht is. Achtervoet 19 tot 22 mm, gewicht dertig tot vijfenveertig gram.

Gelijkende soorten

De Egyptische stekelmuis (Acomys cahirinus) is de enige soort waarmee verwarring reëel is, en in het veld is die niet op te lossen: ze is gemiddeld iets grijzer en groter, met minder scherpe witte vlekken, maar de maten overlappen volledig en de scheiding berust op karyotype en DNA. Het areaal helpt: deze soort komt voor ten oosten van de Nijl en het Suezkanaal, cahirinus in de westelijke woestijn, Libië en op de eilanden. De gouden stekelmuis (Acomys russatus) leeft vaak op dezelfde rotsen en is direct te onderscheiden: roestgeel tot goudoranje in plaats van bleek zandkleurig, een korte staart van minder dan acht centimeter, en dagactief. De renmuizen van hetzelfde landschap (vooral Gerbillus dasyurus) hebben een veel langere staart met een eindpluim, langere achterpoten, een springende gang en geen stekels in de vacht. De huismuis is kleiner, heeft een muffe geur en een kale, soepele staart.

Leefgebied

Droog, rotsig terrein van allerlei typen: wadibeddingen met grote blokken, granietblokkenvelden, kalk- en zandsteenwanden met spleten, puinhellingen, oude terrasmuurtjes en steenhopen langs akkerranden, van onder de zeespiegel bij de Dode Zee tot ongeveer negentienhonderd meter in het Sinaïgebergte. In zandgebieden zonder rots ontbreekt de soort. In oasen, kloostertuinen en bedoeïenendorpen komt ze in schuren en dadelopslagen, en in Zuid-Israël en Jordanië is ze gewoon rond veldstations en kampeerplaatsen, waar muren dezelfde spleten bieden als rotswanden.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van de Sinaï door Israël, Palestina en Jordanië over het hele Arabisch Schiereiland, oostwaarts tot Zuid-Iran en Zuidwest-Pakistan, en noordwaarts tot in Libanon, waar de soort pas in de laatste jaren met zekerheid is vastgesteld. Binnen het gidsgebied gaat het om de Sinaï, de Negev, het Jordaandal, de Woestijn van Judea en de Jordaanse rotswoestijn tot Wadi Rum en Petra. Daar is ze algemeen: in geschikte rotshabitat is ze vaak het talrijkste kleine zoogdier, en een enkele canyon boven de Dode Zee kan tientallen dieren herbergen. De stekelmuizen in laboratoria over de hele wereld behoren tot deze soort.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief. Waar deze soort en de gouden stekelmuis dezelfde rotsen bewonen, is de gouden stekelmuis overdag actief, hoewel die van oorsprong nachtactief is; de verschuiving wordt veroorzaakt door de geurstoffen van deze soort. Dit is een van de bekendste voorbeelden van concurrentie in de woestijnecologie. De dieren leven in kleine groepen met een kern van vrouwtjes. Alleseter met een sterke voorkeur voor insecten: in gemeten diëten leveren krekels de helft tot bijna zestig procent, gerstekorrels een kwart, groen blad ruim een tiende en slakken de rest. De voortplanting is bij Taif seizoensgebonden en elders jaarrond, met een terugval in de winter. Na een draagtijd van ongeveer zes weken worden één tot vijf jongen geboren, behaard en met open ogen, die binnen twee weken gespeend zijn; andere vrouwtjes in de groep helpen mee met zogen. Na twee maanden zijn de jongen volwassen. In het wild wordt een stekelmuis zelden ouder dan drie jaar, in gevangenschap vijf. Bij gevaar laat ze staart of huid los. Ze houdt geen winterslaap en blijft ook in de koudste maanden 's nachts actief.

Waar en wanneer kijken

Ga na zonsondergang bij een rotswand in een wadi zitten, met wat zaad op een steen voor je en een rode lamp. In de canyons boven de Dode Zee, in Wadi Rum, rond de kloosters van de Sinaï en bij vrijwel elk veldstation in de Negev komen binnen een half uur meestal dieren op het zaad af; ze zijn weinig schuw en naderen tot op een meter. Overdag kun je zoeken naar latrines: loop de richels van een rotswand af en let op hoopjes zwarte keutels, die ook zichtbaar zijn wanneer de dieren zelf niet actief zijn. Verzamel ook braakballen onder een overhang; de stekelharen zijn met het blote oog te zien en vormen het eenvoudigste bewijs dat de soort er leeft.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016), algemeen en wijdverspreid. Het leefgebied, kale rots in een droog klimaat, verandert nauwelijks door menselijk gebruik, en bebouwing levert meestal extra spleten op. De soort is een veelgebruikt proefdier, omdat huid en wondgenezing afwijken van die van andere muizen; dat gebruik heeft geen invloed op de wilde populaties. Er is wel een taxonomisch probleem: de grens met Acomys cahirinus loopt door Egypte en is met veldkenmerken niet te trekken, zodat oudere literatuur over 'Acomys cahirinus' in Israël en Arabië in werkelijkheid over deze soort gaat.

Wetenschappelijke naam

Acomys dimidiatus | (Cretzschmar, 1827)

Cretzschmar beschreef de soort in 1827 als Mus dimidiatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Acomys is Grieks, van akē 'punt, scherpe spits' en mys 'muis', naar de stekelharen op de rug. dimidiatus is Latijn voor 'gehalveerd', bij dimidium 'helft', naar de vacht die scherp in een donkere boven- en een witte onderzijde uiteenvalt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte, Sinaï.