Alle soorten › Knaagdieren › Berkenmuizen › Sicista trizona
Sicista trizona | Sicista trizona
Hungarian Birch Mouse | Sicista trizona
Sicista trizona is een berkenmuis die endemisch is in het Karpatenbekken; een Nederlandse naam heeft de soort niet. Ze weegt gemiddeld minder dan acht gram en brengt het grootste deel van het jaar in winterslaap door. Van de Hongaarse vorm zijn na 1936 zeventig jaar lang geen levende dieren gezien, tot de soort in 2006 in één beschermd steppegebied werd teruggevonden.
Sporen
Van een dier van ongeveer zeven gram dat 's nachts in distelvegetatie klimt, zijn geen prenten of keutels bekend die op naam te brengen zijn. De methoden waarmee de soort in de praktijk wordt aangetoond, zijn wel goed gedocumenteerd. De Hongaarse monitoring gebruikt al vijftien jaar bodemvallen, potten die tot de rand in de grond worden gezet, omdat berkenmuizen langs gewone inloopvallen heen lopen, en sinds enkele jaren cameravallen op grondniveau, die de dieren 's nachts op hun looproutes vastleggen. Het oudste bewijsmateriaal komt uit braakballen: de vondsten van vóór de herontdekking bestaan vrijwel geheel uit kaken uit uilenballen, en braakbalonderzoek blijft de methode die het minste kost om een nieuw gebied te onderzoeken. In het veld is alleen het gedrag zichtbaar: een klein dier dat 's nachts langs een distelstengel omhoog klimt in plaats van eronder door te rennen, en zich met de lange staart vasthoudt. Het zomernest is een bolletje fijn gras onder de grond of onder een pol; de winterslaap wordt doorgebracht in een zelf gegraven hol, opgerold met de staart om het lichaam.
Het jong

Herkenning
Een zeer klein knaagdier: kop-romp 4,9 tot 6,1 cm, staart 5,6 tot 7,6 cm en daarmee altijd langer dan het lichaam, achtervoet 13 tot 16 mm, gewicht 3,5 tot 14,6 gram met een gemiddelde van minder dan acht. De vacht is geelbruin of grijsbruin zonder kastanjebruine tint; jonge dieren zijn helderder geel, vooral op de flanken. Volwassen dieren hebben één zwarte aalstreep over de rug, aan weerszijden begrensd door een lichtere band; jonge dieren hebben daarbuiten nog een tweede paar zwarte zijstrepen, zodat hun tekening uit vijf banen bestaat. De oren zijn behaard en dragen een zwart vlekje. De ogen zijn groot en zwart, de snuit spits, de staart dun en licht grijpend.
Gelijkende soorten
In het veld is de soort niet te determineren. Tot 2016 gold ze als ondersoort van de steppeberkenmuis, en uitwendig is ze niet van de andere gestreepte berkenmuizen te onderscheiden: S. subtilis, S. loriger en S. severtzovi hebben dezelfde maten, dezelfde bouw en dezelfde drie- tot vijfdelige rugtekening. De verheffing tot soort berust op cytochroom-b- en IRBP-sequenties en de populatiegenetische structuur, en historisch op de vorm van de penisstekels, waarmee Méhelÿ de graslandpopulatie als aparte vorm onderscheidde. Er is geen kenmerk dat met een loep of een verrekijker vast te stellen is. Het areaal is wel scherp begrensd: de soort komt alleen voor in de Borsodi-Mezőség in Noordoost-Hongarije en op enkele hellingen in het Roemeense district Cluj. Een gestreepte berkenmuis in Oekraïne of in Roemenië ten oosten van de Karpaten is S. loriger; een gestreepte berkenmuis in het Karpatenbekken is deze soort. De berkenmuis (S. betulina) leeft in de Slowaakse en Tsjechische bergen ten noorden ervan en mist de lichte flankbanden.
Leefgebied
Steppegrasland van het Karpatenbekken, en daarbinnen de plekken die niet in gebruik zijn genomen. De Hongaarse dieren leven in distelvegetaties (Carduetum acanthoidis), in weiden met verspreide distelpollen die verder kort worden begraasd, in verzilte graslanden en op verlaten akkers; de Transsylvanische vorm bewoont beweide hellingen die met struiken dichtgroeien. De soort heeft structuur nodig: hoge, ruige kruiden om in te klimmen en te schuilen, naast open, kortgegraasde grond. Onderzoek in de Borsodi-Mezőség laat zien dat ze zich ook in recent verstoorde plekken handhaaft, mits het terrein daarna gevarieerd blijft; een onbeheerd distelveld is geschikter dan een regelmatig gemaaide weide.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Endemisch in het Karpatenbekken, met twee ondersoorten. De Hongaarse vorm leeft nog uitsluitend in het Landschapsbeschermingsgebied Borsodi-Mezőség in Noordoost-Hongarije, waar ze bekend is uit elf afzonderlijke terreindelen binnen twaalf kilometerhokken. De Transsylvanische vorm is in 2014 teruggevonden in het Roemeense district Cluj; de verspreiding daar is nog niet vastgesteld. Historisch besloeg de soort een groot deel van de Pannonische vlakte, met vondsten in Oostenrijk, Slowakije en Servië; in al die landen geldt ze nu als uitgestorven. Op de Britse Eilanden en het Iberisch Schiereiland komt geen enkele berkenmuis voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Voornamelijk nachtactief, met enkele waarnemingen overdag; de soort klimt in de kruidlaag met de lange staart als steun. Uit de Hongaarse monitoring blijkt dat ze bovengronds actief is van april tot september, met een piek in juli; de rest van het jaar ligt ze in winterslaap in een ondergronds hol. Zoals alle berkenmuizen eet ze vooral insecten en andere ongewervelden, aangevuld met zaden, bessen en groene plantendelen. De voortplanting valt in de korte zomer, met één worp per jaar; de levensverwachting is één tot twee jaar. Met een klein aantal dieren verdeeld over elf terreindelen heeft de populatie weinig buffer tegen tegenslag.
Waar en wanneer kijken
De kans om dit dier te zien is zeer klein, en de terreinen waar het voorkomt zijn strikt beschermd en niet vrij toegankelijk. Wel kun je in de Borsodi-Mezőség het landschap bekijken waarvan de soort afhankelijk is: verzilte laagten, kortgegraasde weiden met distelpollen en verlaten akkerhoeken. Waarnemingen van het dier zelf zijn alleen mogelijk via het Hongaarse onderzoek, dat met bodemvallen en cameravallen werkt; vangen vereist een vergunning, en de soort is streng beschermd. Buiten het gebied is de soort alleen aan te treffen als kaakjes in uilenbraakballen; zeventig jaar lang was dat het enige bewijs van haar voortbestaan.
Staat van instandhouding
Bedreigd (EN, 2019). De soort staat in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en is in Hongarije streng beschermd, met een natuurbeschermingswaarde van een miljoen forint per exemplaar, een van de hoogste bedragen die het land hanteert. Ze is in Hongarije beschermd sinds 1964, was na 1936 zeventig jaar lang alleen uit braakballen bekend, is in 2006 teruggevonden en wordt sindsdien onafgebroken gemonitord. In Oostenrijk, Slowakije en Servië is ze uitgestorven, en in Hongarije beperkt tot elf terreindelen. De oorzaak is het verdwijnen van de Pannonische steppe: omploegen en ontwatering, en daarnaast het opgeven van extensieve beweiding, waarna de structuurrijke, distelrijke weide dichtgroeit met struweel of verandert in eenvormig grasland. Beheer vereist maatwerk op een oppervlak van enkele vierkante kilometers, en één ongunstig jaar kan tot het verdwijnen van de soort uit een terreindeel leiden.
Wetenschappelijke naam
Sicista trizona | (Frivaldszky, 1865)
Frivaldszky beschreef de soort in 1865 als Mus trizonus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Sicista is geen Latijn en geen Grieks. Gray nam het woord in 1827 over zonder bronvermelding; men zoekt het bij een volksnaam voor de muis uit het Russisch-Tataarse taalgebied, maar welke dat is staat niet vast. trizona betekent 'driebandig', van het Griekse tri- 'drie' en zōnē 'gordel, band', naar de tekening van de rug, waar de zwarte middenstreep aan weerszijden door een lichte baan wordt begeleid. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hongarije, Pest.




