Alle soorten › Insecteneters › Egels › Oost-Europese egel
Oost-Europese egel | Erinaceus roumanicus
Northern White-breasted Hedgehog | Erinaceus roumanicus
De Oost-Europese egel, in veel handboeken witborstegel genoemd, is de egel van Midden- en Oost-Europa. In bouw, gedrag en uiterlijk komt hij grotendeels overeen met de West-Europese egel, die hij ergens tussen de Oder en de Adriatische Zee vervangt. De grens tussen beide soorten volgt geen rivier of bergrug, maar is een zone waarin ze naast elkaar voorkomen en hybridiseren.
Sporen
Over de sporen van deze soort zelf is weinig afzonderlijk vastgelegd; de handboeken verwijzen voor voedsel, gedrag, leefgebied en sporen grotendeels naar de West-Europese egel, en het beeld is naar verwachting hetzelfde. De keutel is 3 tot 5 cm lang, ongeveer 1 cm dik, cilindrisch en aan beide einden stomp, vers zwart en licht glimmend, en bevat veel glinsterende dekschilden en pootjes van kevers. Hij ligt open op gras, bestrating, dorpsstraten of boswegen en wordt niet begraven; een kattenkeutel wordt weggeschraapt en een marterkeutel is gedraaid met een uitgetrokken punt van haar. In kort gras liggen snuitputjes: kegelvormige gaatjes van 1 tot 2 cm diep, tientallen bijeen, gemaakt bij het zoeken naar emelten en keverlarven. De prent is alleen in zachte modder of vochtig zand te zien: ongeveer 2,5 tot 3 cm, vijf tenen, scherpe, ver naar voren stekende nagelindrukken, de achtervoet smaller en langer dan de voorvoet en vaak alleen met de tenen afgedrukt. Het geluid is het bruikbaarste teken: een foeragerende egel snuift, blaast en ritselt door dorre bladeren en is op tien meter te horen, en in mei en augustus — de soort heeft twee worpen per jaar — is 's nachts het aanhoudende gepuf van een baltsend paar te horen. Het nest ligt onder een takkenhoop, houtstapel, dichte braamstruik of schuurtje: een compacte, holle bal dorre bladeren ter grootte van een voetbal, in de winter tussen dood hout ingewerkt.
In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Het jong

Herkenning
Een egel van 20 tot 30 cm, die in de nazomer meer dan een kilo kan wegen; dieren in het zuiden van het areaal zijn gemiddeld groter dan die in het noorden. Rug en flanken dragen gladde, geelbruin en zwart geringde stekels zonder de fijne knobbeltjes die andere geslachten hebben. Het belangrijkste kenmerk zit aan de onderkant: een witte tot roomwitte vlek op borst en keel, die bij een goed getekend dier scherp afsteekt tegen de donkerbruine buik en de bruine flankharen. Op de kruin loopt een flauwe, nauwelijks zichtbare scheiding in het stekelkleed, veel minder uitgesproken dan de kale scheiding van de trekegel en soms zichtbaar bij scherp licht van bovenaf. Het gezicht is grijsbruin, de snuit lang en spits, de oren klein; van opzij komen ze nauwelijks boven de stekels uit. De poten zijn iets langer dan bij de West-Europese egel, waardoor een lopend dier volgens veel waarnemers iets hoger en slanker oogt; als afzonderlijk kenmerk is dat onvoldoende. De staart is een stompje van ruim 2 cm.
Gelijkende soorten
De West-Europese egel (Erinaceus europaeus) is in het gunstigste geval aan de onderkant te scheiden: die is daar egaal grijsbruin, terwijl deze soort een lichte borstvlek heeft. Dat kenmerk is niet betrouwbaar. In de smalle band door Midden-Europa waar beide voorkomen — ruwweg van Oost-Polen en Tsjechië tot Oostenrijk, Slovenië en de noordelijke Adriatische kust — komen West-Europese egels met een bleke borst voor, Oost-Europese egels met een vage of onderbroken vlek, en hybriden. In één onderzochte contactzone had tot 20 procent van de dieren een gemengd genotype; wat dat voor de populaties betekent, is onbekend. Als werkregel geldt: buiten de contactzone bepaalt de vindplaats de soort, binnen de contactzone alleen DNA; een egel die daar gefotografeerd is, wordt als 'egel' genoteerd. De flauwe kruinscheiding en de iets langere poten zijn hooguit ondersteunende kenmerken. In Anatolië, de Levant en op enkele Griekse eilanden komt de zuidelijke witborstegel (Erinaceus concolor) voor, die in het veld niet te onderscheiden is en die de Mammal Diversity Database als aparte soort voert; ook daar bepaalt de vindplaats de soort. In Zuidoost-Europa is verwarring met een stekelvarken alleen op grote afstand mogelijk, en op Cyprus en in Zuid-Rusland met de langooregel, die veel langere oren en een witte buik heeft.
Leefgebied
Halfopen cultuurlandschap, vooral de randen daarvan: bosranden en struweel, houtwallen en heggen, ruige perceelsranden, extensief grasland en boomgaarden, en daarnaast tuinen, dorpsranden, parken, begraafplaatsen en boerenerven in stad en platteland. Anders dan de West-Europese egel komt hij ook voor in het open, droge zuidoosten van Europa, in struweelrijke overgangen naar steppe en in riviervalleien. Hij komt voor van zeeniveau tot ten minste 1400 meter. Dicht naaldbos, uitgestrekt moeras en kaal akkerland zonder randen mijdt hij.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Midden- en Oost-Europa en verder oostwaarts. De nominaatvorm komt voor van de Oder tot de noordelijke Adriatische Zee; oostelijker en zuidelijker volgen vier andere ondersoorten, tot in Montenegro, Noord-Macedonië, Europees Turkije, Kreta en andere Griekse eilanden, Zuidwest-Rusland, de Noord-Kaukasus en West-Siberië. Binnen het gidsgebied komen de meeste waarnemingen uit Oekraïne, Polen, Roemenië, Griekenland, Hongarije, Oostenrijk en Bulgarije, gevolgd door Rusland, Kroatië, Tsjechië, Litouwen, Slovenië, Montenegro, Wit-Rusland en Servië; er zijn ook meldingen uit Noordoost-Italië. Ten westen van de contactzone, in West-Europa, komt alleen de West-Europese egel voor. De westgrens van het areaal is geen lijn maar een zone, en daar ligt het determinatieprobleem.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief; hij verlaat het slaapnest kort na zonsondergang en legt per nacht 1 tot 2 km af, mannetjes meer dan vrouwtjes. Het voedsel bestaat uit grote ongewervelden — keverlarven, loopkevers, oorwormen, rupsen, regenwormen, duizendpoten en slakken — aangevuld met aas, gevallen fruit en af en toe een nest jonge muizen of een legsel. Voedselonderzoek aan deze soort zelf ontbreekt grotendeels; de handboeken nemen daarvoor de gegevens van de West-Europese egel over. Het duidelijkste verschil met die soort ligt in de voortplanting: de Oost-Europese egel heeft twee worpen per jaar, rond eind mei en rond eind augustus. Na een draagtijd van ongeveer vijf weken worden de jongen blind en roze geboren, met zachte witte stekels die binnen enkele uren doorbreken; na ongeveer zes weken lopen ze met het vrouwtje mee. Jongen uit de augustusworp moeten in enkele maanden voldoende vet opbouwen, zoals ook bij de tweede worp van de West-Europese egel. Hij houdt een echte winterslaap, ruwweg van november tot maart, met een lichaamstemperatuur vlak boven die van de omgeving en een hartslag van enkele slagen per minuut; bij korte ontwakingen wisselt hij soms van nest.
Waar en wanneer kijken
In steden als Boedapest, Wenen, Praag, Warschau, Kyiv of Boekarest is een stadspark 's avonds de gemakkelijkste plek: ga een half uur na zonsondergang zitten en luister; het dier is meestal eerder te horen dan te zien. De beste maanden zijn mei en juni en opnieuw eind augustus en september, wanneer de jongen van de tweede worp rondzwerven. Een wildcamera bij een opening in een schutting of bij een schaal water levert in een tuin vaak binnen een week beelden op. De borstvlek is alleen te zien als het dier op zijn zij ligt of over een rand klimt; fotografeer de onderkant zodra dat kan. Goed gedocumenteerde waarnemingen uit de contactzone met de West-Europese egel zijn van waarde. Noteer altijd de vindplaats: bij deze soort weegt de plaats zwaarder dan het uiterlijk.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2021), zowel wereldwijd als op de Europese Rode Lijst. Er zijn geen aanwijzingen, ook geen anekdotische, voor een noemenswaardige afname, en in Griekenland, Hongarije en Bulgarije geldt hij als algemeen. Verkeerssterfte komt voor, maar wordt niet als landelijke bedreiging beschouwd, en de soort komt in veel beschermde gebieden voor. Zoals bij alle Europese egels wordt er nauwelijks systematisch geteld: de gunstige beoordeling berust op het ontbreken van meldingen van achteruitgang en niet op meetreeksen. Bij de West-Europese egel leidden gerichte tellingen in 2024 tot een ongunstiger beoordeling. Een tweede open vraag betreft de contactzone: het is onbekend wat de hybridisatie met de West-Europese egel op lange termijn voor beide soorten betekent, en of hybriden de winterslaap even goed doorkomen als de oudersoorten.
Wetenschappelijke naam
Erinaceus roumanicus | Barrett-Hamilton, 1900
Barrett-Hamilton beschreef de soort in 1900 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Erinaceus is het Latijnse woord voor 'egel'. roumanicus betekent 'Roemeens', naar de typelocatie in Roemenië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Roemenië, Gageni.






