Alle soorten › Knaagdieren › Blindmuizen › Nannospalax bulgaricus

Nannospalax bulgaricus | Nannospalax bulgaricus

Bulgarian Blind Mole-rat | Nannospalax bulgaricus

Nannospalax bulgaricus is een blindmuis uit Bulgarije zonder Nederlandse naam en de laatst beschreven Europese soort van het geslacht: Savić en Soldatović beschreven haar in 1984 van dieren uit het dorp Kozarevets. De soortstatus berust op het afwijkende karyotype. De meeste blindmuizen hebben 54 tot 58 chromosomen; deze soort heeft er 46 of 48, terwijl het armgetal (het aantal chromosoomarmen) vrijwel gelijk is aan dat van verwante vormen. Dat wijst op versmelting van hele chromosomen tot één chromosoom zonder verlies van erfelijk materiaal. Dieren met verschillende chromosoomaantallen planten zich niet meer met elkaar voort, zodat een nieuwe soort ontstaat zonder uitwendige verandering.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Wat van deze soort wordt waargenomen, is vrijwel uitsluitend graafwerk. De aardhopen zijn breed en laag in plaats van kegelvormig, bestaan uit grove kluiten in plaats van fijne kruimels, hebben geen zichtbare opening (de gang wordt van binnenuit met aarde afgesloten) en liggen in een slingerende rij met twintig tot dertig meter tussenruimte. Die rij volgt de hoofdgang, die met zijtakken tientallen tot bijna tweehonderd meter lang kan zijn. De gangen zijn vijf tot zeven centimeter breed; de ondiepe voedselgangen liggen op vijftien tot vijfentwintig centimeter diepte, de met gras beklede nestkamer en de voorraadkamers dieper. Een molshoop, die in dezelfde weiden voorkomt, is kleiner, hoger, fijner van korrel en komt uit een verticale schacht; het Hongaarse veldprotocol rekent een hoop pas tot een blindmuis bij een basisdiameter van meer dan zestig centimeter. Verder zijn er afgeknaagde bollen, knollen en wortelstokken in de gang, en schedelresten in braakballen van kerkuil, steenuil, ransuil en oehoe; deze hebben in Bulgarije, net als elders, een groot deel van de verspreidingsgegevens opgeleverd.

Herkenning

Uitwendig gelijk aan de andere blindmuizen van Zuidoost-Europa: walsvormig en zonder zichtbare hals, met een brede, platte, wigvormige kop, een grote kale driehoekige neusspiegel en een stijve rand van lichte borstelharen die daarvandaan naar achteren loopt. De vacht is fluweelzacht en in alle richtingen strijkbaar, bruingrijs met een gele of rossige zweem, de buik grijzer. De gele tot oranje snijtanden steken voor de lippen uit. Oorschelpen ontbreken, de ogen zijn gereduceerd tot lensjes van een millimeter onder een gesloten huidplooi, en een uitwendige staart ontbreekt. Voor deze soort zijn geen kop-romplengten, staartlengten of gewichten gepubliceerd; de maten zijn daarom niet ingevuld, omdat overname van de maten van de westelijke blindmuis een meting zou suggereren die nooit aan deze soort is gedaan. Het onderscheidende kenmerk is karyologisch: 2n = 46 of 48 chromosomen bij een armgetal NF = 76, de laagste chromosoomgetallen binnen het Europese complex.

Gelijkende soorten

De Europese blindmuizen van het geslacht Nannospalax zijn uitwendig niet te onderscheiden. Vorm, kleurvariatie, borstelrand en tanden zijn gelijk, en de verschillen die er zijn, zijn kleiner dan de variatie binnen elke soort. De soorten worden onderscheiden op chromosoomgetal, armgetal en DNA, en hun soortstatus berust mede op kruisingsproeven waarbij tussen verschillende vormen geen embryo's ontstonden. In Bulgarije geeft ook de vindplaats geen sluitend antwoord: naast deze soort komen er de westelijke blindmuis (waartoe de vorm srebarnensis van Roese, Targovisjte en Silistra wordt gerekend) en in het westen N. serbicus voor; tussen deze drie is alleen met een karyogram te beslissen. Wel uit te sluiten zijn de mol, met schopvormige voorpoten, een korte staart en een kleiner formaat, en de woelrat, met normale oren, ogen en staart. Een veldwaarneming wordt het best genoteerd als 'blindmuis', met de exacte vindplaats.

Leefgebied

Droog en matig vochtig grasland op diepe, losse, goed doorlatende grond: steppe- en lösshellingen, weiden, hooiland, begraasde boomweiden en de niet-geploegde randen en overhoeken van akkerland, en ook wegbermen en oude dijken. Omdat het laagland in Bulgarije grotendeels in cultuur is gebracht, gaat het in de praktijk om restanten en randen. Bos, rotsgrond en natte bodem worden gemeden; intensief bewerkte akkers zijn ongeschikt, omdat de ploeg dieper gaat dan de voedselgangen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Voor zover bekend alleen Bulgarije, met de typelocatie Kozarevets. De grenzen zijn onduidelijk. Bulgarije is karyologisch goed onderzocht, maar er zijn meerdere chromosoomvormen beschreven, waarvan sommige nu tot de westelijke blindmuis en andere tot N. serbicus worden gerekend. Waar het areaal van deze soort ophoudt en dat van de verwante soorten begint, is alleen met vangst en karyotypering vast te stellen, en dat is op slechts enkele plaatsen gedaan. Kaarten van vóór 2024 tonen heel Bulgarije onder de naam Nannospalax leucodon. Blindmuizen ontbreken in West- en Noord-Europa en op het Iberisch Schiereiland.

Levenswijze

Over deze soort afzonderlijk is weinig beschreven; het volgende geldt voor het complex, waarbinnen de levenswijze weinig varieert. De dieren leven solitair en vrijwel volledig ondergronds, zijn dag en nacht actief met de meeste graafactiviteit aan het begin en eind van de dag, en houden geen winterslaap: de winter wordt overbrugd met voorraadkamers waarin zes tot twintig kilo bollen, knollen en wortels kan liggen. Het voedsel bestaat uit ondergrondse plantendelen, in het late voorjaar aangevuld met groene delen en soms insecten; de dagelijkse opname is ruim een derde van het lichaamsgewicht. Eén gangenstelsel is het territorium van één dier, dat buiten de paartijd aan het eind van de winter geen soortgenoten toelaat. De draagtijd is ongeveer dertig dagen; in maart of april worden twee tot vier jongen geboren, en vrouwtjes planten zich pas in hun tweede jaar voort. Predatoren zijn vos, wezel, hermelijn, steppebunzing, hond en kat, en uilen, aasgier, keizerarend en arendbuizerd.

Waar en wanneer kijken

Zoek in maart of april op grazige heuvels of ongeploegde akkerranden in Bulgarije, bij voorkeur vroeg in het seizoen bij laag gras, naar een rij lage, brede aardhopen. Verse aarde is donker, vochtig en grofkluitig; begroeide hopen wijzen op een verlaten stelsel. Vergelijking met een molshoop in de buurt maakt de verschillen in hoogte, breedte en korrelgrootte duidelijk. Het dier zelf wordt zelden gezien; de weinige waarnemingen betreffen dieren die een weg oversteken of door een kat zijn gevangen. Noteer bij elke vondst de coördinaten; in deze groep is de vindplaats het enige determinatiekenmerk dat in het veld beschikbaar is.

Staat van instandhouding

Niet beoordeeld door de IUCN. De Rode Lijst kent alleen de verzamelsoort Nannospalax leucodon, die als niet bedreigd is beoordeeld; die beoordeling geldt niet voor deze soort, die nooit afzonderlijk is beoordeeld. Het Handbook of the Mammals of the World en de Servische onderzoeksgroep rond Savić en Bugarski-Stanojević wijzen erop dat verscheidene soorten uit dit complex bedreigd zijn, op geen enkele lijst staan en een eigen beoordeling nodig hebben. Voor deze soort is zelfs het aantal bekende vindplaatsen niet gepubliceerd. De bedreigingen zijn dezelfde als elders in Zuidoost-Europa: omzetting van grasland in akkerland, diepploegen, het verdwijnen van extensieve beweiding, bebouwing en wegaanleg, en het doden van dieren die als landbouwplaag worden gezien. Omdat de dieren zelden worden waargenomen en niet worden geteld, kunnen populaties onopgemerkt verdwijnen.

Wetenschappelijke naam

Nannospalax bulgaricus | Savić & Soldatović, 1984

Savić & Soldatović beschreef de soort in 1984 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Nannospalax verbindt het Griekse nannos 'dwerg' met Spalax: de kleine blindmuis. bulgaricus betekent 'Bulgaars'; Savić en Soldatović beschreven het dier van Kozarevets in het noorden van Bulgarije. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bulgarije, Kozarevets.