Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Mopsvleermuis
Mopsvleermuis | Barbastella barbastellus
Barbastelle bat | Barbastela
De mopsvleermuis is een middelgrote bosvleermuis met een platte, stompe snuit en brede oren die boven op de kop tegen elkaar aan staan. Onderarm 35 tot 43 mm, gewicht 5 tot 14 gram. De soort is verbonden met oud bos met veel dood hout: de zomerverblijven zijn vooral spleten achter losse schors, die maar een paar jaar bestaan, en een kolonie wisselt vrijwel dagelijks van boom. Het geslacht Barbastella telt in Europa alleen deze soort. Zij staat op de mondiale Rode Lijst als gevoelig (NT).
Sporen
In de zomer zitten de dieren achter losse schors van dode of afstervende bomen (eik, beuk, spar, oude den), in spleten en scheuren in stammen, in boomholten, en soms achter luiken en betimmering van oude gebouwen. Een kolonie kan in één zomer tot dertig bomen in een klein stuk bos gebruiken. Omdat de verblijven zo vaak wisselen, liggen er zelden hopen mest. In de winter hangen of zitten mopsvleermuizen alleen of in kleine groepjes in spleten bij de ingang van grotten, mijnen, bunkers en kelders, waar het koud is (meestal 2 tot 5 °C) en droog; in Frankrijk zijn groepen van meer dan 1000 en in Slowakije en Polen van meer dan 7000 dieren geteld. Op de batdetector klinkt de roepreeks als een afwisseling van harde en zachte tikken.
Herkenning
Een donkere vleermuis met een lange, zijdeachtige, zwartbruine vacht met witte of geelgouden haarpunten, waardoor het dier berijpt lijkt; jonge dieren zijn nog donkerder. De huid is donkerbruin tot grijs. Het kenmerk is de kop: korte, brede, trapeziumvormige oren die naar voren gericht zijn en boven de kop met hun binnenranden tegen elkaar aan staan, met een kenmerkend lapje huid aan de buitenrand en vijf tot zes dwarsplooien; de tragus is driehoekig en loopt abrupt uit in een afgeronde punt. De snuit is kort en plat, de ogen zijn klein. De oren worden in rust niet gevouwen. De vleugels zijn zwartachtig, vrij lang en smal. De echolocatie bestaat uit twee afwisselende roeptypen, het ene sterker en lager (ongeveer 30 tot 37 kHz), het andere zwakker en hoger (tot ongeveer 43 kHz), met roepen van 1 tot 5 ms. Het handboek rekent de soort op grond hiervan tot de gemakkelijkst op geluid te herkennen soorten van Europa.
Gelijkende soorten
De kop met de aaneengesloten, naar voren gerichte oren is binnen Europa uniek voor het geslacht. De grootoorvleermuizen (Plecotus) hebben ook oren die aan de basis verbonden zijn, maar die zijn veel langer (bij de gewone grootoorvleermuis 29 tot 35 mm) en worden in rust onder de vleugels gevouwen; hun ogen zijn groter. In Noord-Afrika en het Midden-Oosten komt Barbastella leucomelas voor en in de Kaukasus B. caspica; het handboek noemt de mopsvleermuis van die soorten te onderscheiden aan de korte, brede oren die over de kop samenkomen en de korte snuit. De roepreeks met twee afwisselende typen onderscheidt de soort op de batdetector van alle andere Europese vleermuizen; bij zwakke opnamen is alleen het sterkere type rond 32 kHz te horen, en dan is verwarring met andere soorten mogelijk.
Leefgebied
Oud, structuurrijk bos met staande dode bomen, vaak naaldbos, maar ook oeverbos en ander loofbos. De dieren jagen langs bosranden, boven water en in half open terrein boven de boomkruinen, meestal niet hoger dan 5 m boven de begroeiing; boven de kruinen jagende dieren duiken soms snel het bos in. In het noorden van het areaal leeft de soort vooral in laagland, in het zuiden vooral in berggebieden. In Zwitserland kiest zij goed gestructureerd, oud bos en mijdt zij open bos en rotshellingen; in Italië zijn kraamkolonies in rotsen gevonden. Het handboek noemt hoogten van zeeniveau tot 2260 m.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Europa van Ierland en het Iberisch Schiereiland oostwaarts tot Letland, Wit-Rusland, Oekraïne en de Kaukasus, met de grote eilanden in de Middellandse Zee, Marokko en Anatolië. In Noorwegen is de soort sinds 1949 niet meer vastgesteld en mogelijk verdwenen; het handboek noemt dat ook mogelijk voor België en Nederland. Op Tenerife en La Gomera (Canarische Eilanden) leeft de ondersoort B. b. guanchae. In Groot-Brittannië komt zij in het zuiden en in Wales voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De mopsvleermuis is een voedselspecialist: nachtvlinders, met een voorkeur voor grote soorten en voor soorten met gehoororganen, maakten in Duitsland 73 tot 94 procent van het voedselgewicht uit en in de Zwitserse Alpen 99 procent van het volume; tweevleugeligen, schietmotten, netvleugeligen en spinnen vullen aan. Het handboek verklaart de afwisselende roeptypen als een manier om minder hoorbaar te zijn voor nachtvlinders die vleermuizen kunnen horen. De dieren vliegen vroeg uit, soms al voor zonsondergang, en jagen eerst in afgeschermd, donker terrein en later in de nacht in open ruimte. Jachtgebieden liggen tot 20 km, gemiddeld ongeveer 7 km, van het verblijf. Kraamkolonies tellen tot 30 dieren in bomen en tot 100 in gebouwen. Vrouwtjes planten zich vanaf hun tweede jaar voort en krijgen één jong of een tweeling; de geboorten vallen tussen mei en augustus, en jongen zijn na zes tot negen weken zelfstandig. De paring vindt plaats in de herfst op zwermplaatsen en in grotten. De winterslaap wordt ongeveer elke vijftien dagen onderbroken. Winter- en zomerverblijf liggen tot 40 km uit elkaar; de langste bekende verplaatsing is ongeveer 290 km, tussen Oostenrijk en Hongarije. De hoogste bekende leeftijd is 23 jaar.
Waar en wanneer kijken
De kans op een waarneming is het grootst met een batdetector langs een bosrand of bosweg in oud bos, in de eerste twee uur na zonsondergang: het afwisselende patroon van twee roeptypen is op geluid herkenbaar. De dieren zelf zijn zelden te zien. Wintertellingen in bunkers, mijnen en grotten leveren de meeste gegevens op, maar die worden door bevoegde tellers gedaan; een winterverblijf betreden verstoort de slapende dieren. Een boom met losse schors waaruit je 's avonds vleermuizen ziet komen, kan een verblijf zijn; voortplantings- en rustplaatsen van vleermuizen zijn in de EU op grond van artikel 12 van de Habitatrichtlijn beschermd.
Staat van instandhouding
Gevoelig (NT, 2016). Volgens het handboek is zij over vrijwel het hele areaal zeldzaam en gaat zij achteruit, met lage aantallen en een hoge gevoeligheid door haar honkvastheid; uit veel regio's zijn recent sterke afnamen gemeld. Alleen in Duitsland, waar het gebruik van insecticiden is teruggebracht, lijken de populaties zich te herstellen. De voornaamste bedreiging is verlies van leefgebied door moderne bosbouw: jong en secundair bos biedt te weinig oude bomen met losse schors. Daarnaast worden verstoring van verblijven en grotten door toeristen en speleologen genoemd. De soort staat in bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.
Wetenschappelijke naam
Barbastella barbastellus | (von Schreber, 1774)
Von Schreber beschreef de soort in 1774 als Vespertilio barbastellus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Barbastella is Latijn, van barba 'baard' en stella 'ster'; waarschijnlijk staat het Italiaanse barbastello 'vleermuis' erachter. barbastellus komt van het Italiaanse barbastello, een oude naam voor de vleermuis. De verdere herkomst is omstreden: men leest er barba 'baard' en stella 'ster' in, naar de stugge haren om de snuit, maar even vaak wordt het als een verbastering van het Latijnse vespertilio 'vleermuis' verklaard. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk, Bourgondië.






